Column

Betoverende vriend

Het voordeel van tramvervoer is dat je doorgaans snel verlost bent van de lastige medemens. Hij of zij kan je ergeren met zijn gedrag, maar je weet dat je snel en voorgoed afscheid zult kunnen nemen van de betrokkene. Aan die troostende gedachte klampte ik me maar vast toen een jolig paar bij het Centraal Station van Amsterdam instapte in lijn 13, richting Amsterdam-West. Ze gingen voorin zitten. Hoewel er nog plaats genoeg was, verkoos de vrouw een plekje op de schoot van haar vriend, misschien zelfs wel echtgenoot.

Het waren veertigers, maar ze oogden niet als brave ouders van lieve kindertjes die straks in hun knusse bedjes zouden worden gelegd. Ze streefden een stoutere invulling van hun leven na: uitgaan, desnoods tot je erbij neervalt. Naast het stel zat ik, nog wel een vader, maar dan van een leeftijd waarop je, als je pech hebt, door je eigen kinderen naar bed wordt gebracht. Ik deed wat je in een tram nog het beste kunt doen: naar buiten kijken, waar het schemerig begon te worden.

Ik had het geluk dat de vrouw met haar rug naar mij zat toegekeerd. Daardoor was ze gedwongen haar behoefte aan contact te richten op een bejaarde dame aan de andere kant van het gangpad. Ze lachte uitheinig naar deze dame, die een beetje gegeneerd opkeek.

Ze haalde een foto uit haar tas en zwaaide ermee. „We hebben een rondvaart gemaakt”, riep ze. „Gek, hè? We wonen al zo lang in Amsterdam, en nu pas onze eerste rondvaart.”

„Leuk”, knikte de dame beleefdheidshalve.

„Nou!”, schalde de vrouw, en ze kneep haar vriend in een bleke wang.

Het viel me nu pas op dat hij onbekwaam was tot ook maar enige reactie. Hij had zijn ogen half gesloten en zijn mond hing een beetje open, als bij een bokser die net een fatale dreun heeft gekregen. Er kwamen wat gebrabbelde geluidjes over zijn lippen, weggelekt uit zijn bedwelmde bewustzijn. Zijn vriendin was flink aangeschoten, hij was minstens één stadium verder: starnakel bezopen. Hun rondvaart moest langs veel pittoreske kroegen zijn gegaan.

Zijn vriendin haalde weer een foto tevoorschijn. „Hier zijn we aan het kussen”, giechelde ze, „het is gek, maar hij betovert me.”

„Dat klinkt goed”, zei de dame.

Ik vond het eerder ongeloofwaardig klinken, want de man naast mij straalde niets meer uit wat aan de onweerstaanbare charme van een don juan deed denken. Zijn laatste betovering moest minstens een etmaal geleden hebben plaatsgevonden – en op de volgende hoefde zijn vriendin voorlopig niet meer te rekenen.

Dat leek ook tot haar door te dringen, want nadat ze hem even zonder resultaat gekust had begon ze met tikjes tegen zijn gezicht aan een soort reanimatie. De enige noemenswaardige reactie kwam van zijn gezette lichaam, dat nog verder onderuit zakte.

„Hij is helemaal lam”, zei de vriendin, maar dat wisten we al. „Wakker worden!”, schreeuwde ze. Ze begon aan hem te sjorren, tevergeefs.

Ik vroeg me af hoe ze hem straks de tram uit zou krijgen, en even overwoog ik zelfs dat moment af te wachten, maar ook mijn nieuwsgierigheid kent haar grenzen.

Ik stapte bij mijn halte uit terwijl ik de vrouw achter mij hoorde uitroepen: „Het is zó’n leuke vent!”