Uitgezette Nanou Sagatwa is een vreemdeling in Kinshasa

Ze kwam als meisje naar Nederland. Vorig jaar moest ze terug naar Congo. Nanou Sagatwa durft er de straat niet op.

De 31-jarige Nanou Sagatwa. Foto Koert Lindijer

De 31-jarige Nanou Sagatwa slaapt naast de preekstoel. De Kerk van de Wederopstanding, in een moddersteegje in een achterbuurt van de Congolese hoofdstad Kinshasa, is haar onderkomen. Ze heeft opgezwollen benen gekregen van de harde grond.

„Helemaal niet prettig”, zegt ze in goed Nederlands. „Iedere dag moet ik huilen. Er zit pijn in mijn hart, pijn in mijn maag en in mijn hoofd. Want ik denk te veel.” Nerveus spelen haar vingers met haar Nederlandse openbaarvervoerkaart.

Nanou Sagatwa heeft bijna de helft van haar leven in Nederland gewoond. In haar eentje. Ze haalde er een diploma voor bejaardenzorg en deed er vrijwilligerswerk. „Ik heb altijd gedacht dat ik in Nederland zou blijven”, zegt ze.

Maar vorig jaar maart was die droom voorbij. Drie marechaussees brachten haar in een vliegtuig terug naar Congo. Sindsdien zit ze als een hulpeloos vogeltje in de Kerk van de Wederopstanding, niet wetend wat ze nu in Godsnaam moet doen. Ze friemelt aan haar ongekamde haar en slordige kleding. Ze is nauwelijks meer naar buiten geweest, sinds tien maanden is ze verlamd van angst voor haar omgeving.

Autoraampje

Nanou Sagatwa is de dochter van een Rwandese zakenman en een Congolese moeder. Ze groeit op in Ngaliema, een van de betere wijken van Kinshasa. Een beschermd bestaan. „Kinshasa zag ik alleen door het autoraampje als mijn vader mij naar school reed”, herinnert ze zich.

Maar in 1998, ze is twaalf, gaat het leven met haar aan de haal. In Congo is – in de nasleep van de Rwandese genocide – de haat tegen Rwandezen gegroeid. Op een nacht vallen opgehitste mannen haar huis binnen. Nanou kan zich verstoppen in een badkamer, maar haar ouders worden meegevoerd. Ze heeft hen nooit meer terug gezien.

De tuinman van haar ouders, Oscar, ontfermt zich over haar en neemt haar in zijn huis. Vier jaar blijft ze er. Maar in december 2002 zegt Papa Oscar dat ze bij hem niet meer veilig is en dat het, gezien de anti-Rwandese sentimenten in Congo, beter is dat ze naar het buitenland gaat. Hij koopt tickets en stapt met haar in het vliegtuig. Via Nairobi, of misschien Addis Abeba, ze weet het niet zeker meer, arriveert ze in Nederland.

Nanou, net zestien, is dan een wees én een vluchteling in een vreemd land, waar ze zal opgroeien van puber tot volwassene. Eerst zit ze een jaar in een opvangcentrum in Zevenaar, daarna verhuist ze, samen met drie andere asielzoekers naar een caravan in Markelo en later naar andere plekken. „Wachten, wachten, wachten”, zegt ze.

„Ik wilde vrij zijn, en naar school.”

Ze praat met warme woorden over Nederland. Ze mist de haring, de frikandel en de poffertjes, zegt ze. Maar de liefde is niet wederzijds, althans: de Nederlandse rechtsregels verbieden een gastvrij onthaal. In 2005 wordt haar asielaanvraag voor de eerste keer afgewezen omdat niet aannemelijk is dat zij persoonlijk vervolging heeft te vrezen in Congo.

Niemandsland

De rechter bevestigt het oordeel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. In 2013 wordt ook haar verzoek om in aanmerking te komen voor kinderpardon afgewezen. Er zijn ook geen andere redenen om haar niet terug te sturen, is het oordeel.

Nu zit ze al bijna tien maanden in Kinshasa, en nog steeds heeft ze het gevoel in een soort niemandsland te zijn gedropt. Buiten de kerk torsen mannen en vrouwen allerlei koopwaar op het hoofd. Waarom gaat ook zij niet bijvoorbeeld eieren verkopen? „Ik begrijp niets van Kinshasa na al die jaren in Nederland”, zucht ze.

„Hoe doe je dat, eieren aan de man brengen? Ik ken hier niemand.”

„Ze is zwaar in het hoofd”, zegt dominee Doudou Salamu Mbuku, een beleefde manier om te zeggen dat ze zwaar is getraumatiseerd. „Als kerk moeten we ons om de zwakkeren bekommeren. Mijn gemeente zamelt geld in om haar te voeden, want ze heeft geen cent.”

Hoe lang kan hij daar mee doorgaan? Hij schudt zijn hoofd. „Ik weet niet meer wat we met haar aan moeten. We zijn het een beetje beu. Het is niet onze taak om uitgewezen vluchtelingen op te vangen.”