Surfen op de groene golf

Vogeltrek

Nachtegalen, klauwieren en koekoeken blijven de hele winter door trekken, heel doelgericht naar plaatsen waar het meeste voedsel te vinden is.

Foto's Palle Sørensen / Mikkel Willemoes

Als West-Europese trekvogels in zuidelijk Afrika overwinteren, kiezen ze niet één gebied waar ze de hele ‘winter’ blijven. Tijdens die periode, de zomer op het zuidelijk halfrond, verkassen de vogels enkele malen om de beste omstandigheden uit te kiezen. Ze volgen de „groene golf” van vegetatie die over het Afrikaanse continent trekt.

Deens onderzoek naar trekvogels laat dat zien. „We kunnen nog nauwelijks verklaren waarom er zoveel variatie is in de trekroutes van trekvogels. Dit onderzoek is een stukje van die puzzel”, zegt de Nederlandse trekvogelbioloog Raymond Klaassen die meewerkte aan de studie. De resultaten verschenen woensdag in het wetenschappelijk tijdschrift Science Advances.

Steeds verder naar het zuiden

Het internationale onderzoeksteam, geleid door biologen van het Deense Nationaal Natuurhistorisch Museum, volgde drie soorten trekvogels: de noordse nachtegaal, de grauwe klauwier en de koekoek. Alledrie zijn het insecteneters die in zuidelijk Afrika overwinteren. Die vogels hebben dus de ruimte om, als de zomer op het zuidelijk halfrond vordert, verder naar het zuiden door te vliegen.

En dat doen ze ook, vertelt Raymond Klaassen. „De grauwe klauwier stopt eerst in de Sahel. Daar maakt hij niet alleen een tussenstop om bij te tanken, hij blijft veel langer. De Sahel is zijn eerste overwinteringsgebied. Als dan de Kalahariwoestijn groen wordt, gebruikt hij die als tweede overwinteringsgebied.”

Aangenomen wordt dat trekvogels ruwweg een aangeboren route volgen tussen hun broedgebied in Europa en hun overwinteringsgebied in Afrika, op basis van een inwendig kompas. „Als je het tien jaar geleden aan een trekvogelecoloog zou vragen, had een vogel één broedgebied, één overwinteringsgebied, en onderweg misschien nog een paar stop-overs”, zegt Klaassen.

Dat ligt complexer. Maar hoe trekvogels zich binnen Afrika bewegen tijdens de (Europese) winter, en hoe ze dan hun routes kiezen, is veel minder goed bekend. „Het was nooit mogelijk om individuen gedurende een hele jaarlijkse cyclus te volgen”, mailt eerste auteur Kasper Thorup van het museum in Kopenhagen.

Het Zweedse team volgde 8 koekoeken, 12 nachtegalen en 18 klauwieren tijdens hun trek, via sensoren op hun rug (zie kader). De meeste vogels werden een heel jaar gevolgd, sommige zelfs twee of drie jaar. De biologen combineerden die plaatsbepalingen met jaarronde satellietmetingen van de groene vegetatie in Afrika en Europa.

Daaruit blijkt dat koekoeken binnen beide continenten opvallend vaak trekken naar plekken die op dat moment het groenst zijn. Nachtegalen en klauwieren doen het anders: zij trekken naar plekken die op dat moment groener zijn dan anders. De Kalahari-woestijn die klauwieren aantrekt, is bijvoorbeeld in het voorjaar op zijn groenst, al is de woestijn dan nog altijd minder groen dan een tropisch bos.

Dat de vogels groen prefereren, was te verwachten: waar planten zijn, zijn doorgaans ook meer insecten. Onverwacht was echter dat de vogelsoorten een verschillende strategie volgen. „We kunnen dat niet goed verklaren”, zegt Klaassen. „Dat is voor mij het magische van dit systeem: elke soort die je volgt, vertelt weer een heel nieuw verhaal.”

De gewone nachtegaal bijvoorbeeld, is nauw verwant aan de noordse nachtegaal, maar overwintert in West-Afrika. Gedurende de Europese winter kan die soort niet verder naar het zuiden trekken. „Zulke soorten moeten een heel andere strategie kiezen”, mailt Thorup.

Bovendien is de vraag hóe de trekvogels de groenere delen van hun overwinteringsgebieden vinden. Inmiddels zijn er ook gps-gegevens van zangvogels, die zijn nog niet gepubliceerd, vertelt Klaassen. De vogels lijken doelgericht. „Ze vliegen niet veel rond om de omgeving te verkennen.” Hij en Thorup denken dat de vogels zich ook bij deze vluchten, en niet alleen bij de lange-afstandsmigratie, laten leiden door een inwendige kaart en kompas. „We hebben al veel gegevens over volwassen vogels”, zegt de Nederlandse bioloog. „Maar nu moeten we in kaart brengen: hoe trekken de jónge vogels op hun eerste trek?”