Recensie

Spijbelen was voor een ‘mocro’ een eitje

Salaheddine Benchikhi

In een geestig boek haalt deze Marokkaans-Nederlandse You Tuber, tv- en theatermaker en schrijver herinneringen op aan zijn jeugd in Zwijndrecht, ver voordat 9/11 alles veranderde.

Salahedddine Benchikhi Foto David van Dam

Hoe witte Nederlanders over Marokkaanse Nederlanders denken, weten we nu wel. Hoe Marokkaanse Nederlanders over die witte Nederlanders denken, is veel minder bekend. Bij witte Nederlanders dan.

Bent u een witte Nederlander en wilt u meer weten over die gedachten van anderen, dan is Salaheddine Punt NL. Kom maar op met Nederland perfect. Op één voorwaarde: dat u om uzelf kunt lachen, ook als de humor u keihard in het gezicht stompt. Lang niet iedereen vindt het een prettig idee dat Marokkaanse Nederlanders net zozeer de ‘kaaskoppen’ apart zetten, als de witte Nederlanders de ‘mocro’s’.

Voorbeeldje uit Salaheddine Punt NL over het sinterklaasfeest: ‘Dan moesten we een vieze, ouwe, versleten schoen met van die bruine stinkende inlegzooltjes erin mee naar school nemen. De volgende dag zaten daar dan pepernoten en snoepjes in. Niet eens in een zakje of zo […] Met je meurende schoen op schoot zitten smullen van al dat lekkers van de sint!’

Havo

Salaheddine Benchikhi, YouTuber, tv- en theatermaker en schrijver, beschrijft zijn jeugd in Zwijndrecht. Vooral zijn middelbare schooltijd, in de jaren negentig. Hij doet de havo, en dat feit alleen al betekent dat er weinig andere Marokkanen opzitten. (Benchikhi spreekt zonder omhaal over Marokkanen en Nederlanders, al zijn daar nu veel correctere termen voor).

Op het witte Oeverland College in Zwijndrecht zaten dus drie Marokkaanse jongens. Vrienden natuurlijk. Geen lieverdjes, maar ze vielen vooral op door hun Marokkaans-zijn. En hun moslim-zijn, maar dat was toen veel minder belangrijk dan nu. De jeugd van Benchikhi speelt zich af vóór 2001, toen de aanslagen op het World Trade Centre in New York alles veranderden. ‘Het was de periode waarin gastarbeiders en hun kinderen centraal stonden en niet het feit dat ze in Allah geloofden. In die tijd kon ik nog een spreekbeurt geven over de islam of Marokko en kreeg ik uit een soort schattig aaibaarheidsgevoel nog een mooi cijfer voor mijn verhaaltje.’

Hiërarchie

De vermakelijke verwondering van Benchikhi en zijn schoolvrienden werpt een ander licht op zaken die de Nederlanders zo gewoon vinden. Zoals de hiërarchie onder middelbare scholieren en het bijbehorende getreiter. Bovenaan de populairen, onderaan de nerds, een fenomeen dat Marokkanen niet kennen, schrijft Benchikhi. ‘Geen enkele Marokkaan laat zich zomaar in elkaar slaan of onder de douche gooien, en wij vonden het ook altijd vreemd om te zien dat de pesters daar zonder represailles mee wegkwamen.’

Wat volgt is een hilarisch verslag van de Marokkanen die de grootste pester Eric (natuurlijk een rijkeluisjongetje) een lesje leren. Marokkanen, legt Benchikhi uit, proberen te intimideren, bijvoorbeeld door hun riem uit hun broek te halen en net te doen alsof ze hun shirt uittrekken. ‘De vrienden van Eric leken zich inderdaad kapot te schrikken van onze striptease-act en ons Noord-Afrikaanse gegil.’

Af en toe lachen we om Benchikhi zelf. Bijvoorbeeld als hij voor het afzwem- onderdeel met-kleren-aan-zwemmen van zijn moeder kleding meekrijgt waarmee hij daadwerkelijk in het water zou kunnen vallen: stevige veterschoenen en een winterjas. Tot zijn verbijstering staan alle andere kinderen met plastic sandalen en korte broeken op de zwembadrand. Of we lachen om zijn vader, die de ‘zesjescultuur’ van zijn zoon en diens vrienden niet begrijpt. ‘Waarom is Nidelans geen 10?’

Maar vaker steekt hij de draak met de Hollanders en zijn de mocro’s vooral heel tevreden met zichzelf. Spijbelen, bijvoorbeeld, is een eitje. Want als je zegt dat je met vader mee moet naar het consulaat, ziekenhuis of voetballen, dan durven kaaskopleraren daar niets tegen in te brengen. (Nogmaals, dit was vóór 2001). ‘Die man zei meteen: ‘‘Ja natuurlijk. Ik kan jullie natuurlijk niet vergelijken met Nederlandse leerlingen.” Ik kon mijn oren niet geloven.’

Aan het eind van het boek weten we het weer helemaal: Marokkaans-Nederlandse kinderen leven in twee werelden. Het verfrissende van dit boek is, dat dit nou eens géén probleem is. De jonge Salaheddine en zijn kornuiten maken optimaal gebruik van hun buitengewone kennis van beide werelden én van de onkunde van de volwassenen in beide kampen (thuis de ouders en op school de docenten).

Hyper politiek correct

Terugblikkend constateert hij wel dat hij het geluk had op te groeien in het Nederland van de jaren negentig. Het was de tijd dat hij en zijn vrienden nog als exotische buitenlanders werden gezien en Nederland hyper politiek correct was. Als ze zelf iets hadden uitgevreten en daarop terecht werden aangesproken, riepen ze natuurlijk dat dat racisme was. En tot hun eigen verbazing kwamen ze er nog mee weg ook.

En dat is een groot verschil met de nichtjes van Benchikhi die opgroeien in een wereld ná 2001, een tijd waarin zelfs politici moslims uitschelden. Zij kunnen de racismekaart niet meer trekken, constateert Benchikhi, terwijl zij er nu juist wél reden toe hebben.

De spiegel die Benchikhi autochtone Nederlanders voorhoudt is geestig en soms genadeloos. Hij spaart niemand, ook zichzelf niet. Nadeel is dat hij soms zijn eigen vondsten zo leuk vindt dat hij er in zijn hoofdstukken te lang op doorgaat. Vertellen hoe ze een leraar in de zeik nemen, oké, maar wel op tijd stoppen. Bijna elke alinea zou net wat korter kunnen en dan beter zijn. Maar deze kritiek zullen de jongens van toen wel als racisme afdoen.