Opinie

Nieuw label voor allochtoon lost niets op

Laat niet langer de herkomst van ouders iemands identiteit bepalen, betoogt socioloog Arjen Leerkes. “Wie hier geboren is, is Nederlander.”

WRR en CBS stoppen met de woorden allochtoon en autochtoon. Foto ANP / Remko de Waal

is universitair hoofddocent sociologie aan de EUR en daarnaast verbonden aan het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC). Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.

In november vervingen het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) de termen ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ door ‘inwoners met een Nederlandse achtergrond’ en ‘inwoners met een migratieachtergrond’. Inwoners met een Nederlandse achtergrond hebben twee in Nederland geboren ouders; inwoners met een migratieachtergrond hebben één of twee in het buitenland geboren ouders. Minister Asscher heeft ondertussen de Tweede Kamer laten weten achter deze verandering te staan, waarmee wat hem betreft tegemoet is gekomen aan een motie waarmee de Kamer opriep tot een herziening.

Wat een gemiste kans als een jarenlang debat louter zou uitmonden in twee nieuwe labels die alleen al dubieus zijn omdat ze elkaar niet uitsluiten! (Want blijkbaar kun je met een Nederlandse achtergrond geen migratieachtergrond hebben, hoewel bijna 150.000 autochtonen buiten Nederland zijn geboren en talloze anderen jarenlang in het buitenland wonen).

Een echte herziening zou niet alleen over labels moeten gaan, maar ook over hoe de overheid inwoners indeelt naar herkomst. Tenminste twee zaken schreeuwen om aanpassing. In de uitleg daarover gebruik ik voor de duidelijkheid de oude labels.

Ten eerste moeten we stoppen met het automatisch toewijzen van kinderen uit etnisch gemengde relaties aan de groep met de laagste sociale status. Een voorbeeld daarvan is de Amerikaanse one drop rule, waardoor Obama ondanks zijn witte moeder als ‘zwarte’ president geldt. Die van oorsprong racistische tendens zit – bedoeld of onbedoeld – ook in onze indelingen. Je moet als het ware ‘puur’ zijn, twee in Nederland geboren ouders hebben, om tot de autochtonen te worden gerekend. Een dochter van een autochtone vrouw en een allochtone Surinaams-Javaanse man die hier opgroeit en vervolgens Olympisch zwemkampioene wordt, geldt als allochtoon. Dat onnodig naar-buiten-toe-definiëren van ongeveer 1 miljoen in Nederland geboren mensen met één in het buitenland geboren ouder, is er mede verantwoordelijk voor dat ‘allochtoon’ zich in de volksmond ontwikkelde tot een bedekt synoniem voor ‘kleurling’. Zou het niet mooier zijn als onze indelingen minder gaan samenvallen met huidskleur?

Ten tweede moeten we af van de voortdurende overschaduwing van de eigen herkomst door de ouderlijke herkomst, die zich toont in een begrip als ‘tweede generatie allochtoon’ en ‘tweede generatie migrant’. We rekenen nu bijna twee miljoen inwoners op dubieuze gronden tot de allochtonen (letterlijk ‘van vreemde aarde’) omdat ze één of twee in het buitenland geboren ouders hebben, hoewel ze zelf in Nederland zijn geboren en getogen en nooit zijn gemigreerd. Hebben deze mensen een ‘migratieachtergrond’? Juist dat dominante terugkijken naar de ouderlijke herkomst, en het veronachtzamen van de eigen herkomst die inmiddels (ook) is opgebouwd, zet de deur open naar stigmatisering.

Bedoeld of onbedoeld gaan onze indelingen uit van een ‘primordialistische’ opvatting van etniciteit. Daarin is onze etniciteit iets onveranderlijks wat mensen van generatie op generatie aan elkaar doorgeven. Het zou beter zijn als onze indelingen beter gaan aansluiten bij een moderne , ‘constructivistische’ opvatting van etniciteit. Daarin is etniciteit iets wat juist wél kan veranderen, zeker wanneer er migratie- en integratieprocessen in het spel zijn. Onze indelingen zouden moeten erkennen dat alle in Nederland geboren en getogen mensen primair een gemeenschappelijke herkomst hebben, ondanks de roots van hun ouders.

Herziening in drie stappen

1. Het CBS maakt een nieuw technisch systeem om cijfers over herkomst ter beschikking te stellen. Het primaire onderscheid is niet ‘mensen met een migratieachtergrond’ versus ‘mensen met een Nederlandse achtergrond’ maar foreign born (‘in het buitenland geboren’) versus native born (‘in Nederland geboren’). De eigen herkomst staat dus voorop. Binnen beide hoofdcategorieën onderscheiden we vervolgens diverse (‘ouderlijke’) herkomsten op basis van het geboorteland van de ouders. Wie minimaal één in Nederland geboren ouder heeft, krijgt al een Nederlandse herkomst. Naast de Nederlandse herkomst is er bijvoorbeeld de Turkse herkomst, de Poolse herkomst… tot en met ‘overige (ouderlijke) herkomst’. In dit systeem kan iemand bijvoorbeeld een native born (volksmond: ‘nabo’) van Chinese herkomst zijn of een foreign born (volksmond: ‘fobo’) van Nederlandse herkomst. Onderzoekers en beleidsmakers kunnen vervolgens zelf categorieën samennemen afhankelijk van de vragen die ze stellen; zo kunnen ze waar relevant alle ‘nabos’ en ‘fobos’ van Marokkaanse (ouderlijke) herkomst samennemen. De zogenoemde ‘derde generatie migranten’, die allemaal in Nederland geboren ouders hebben, gelden als native born van Nederlandse herkomst.

2. In een dialoog met de samenleving ontwikkelen experts uit verschillende disciplines een nieuwe taal om herkomstgroepen te benoemen. Die taal kan onpreciezer zijn en ook afhangen van hoe groepen zichzelf noemen (dus wel ‘Turkse-Nederlanders’ maar niet ‘Syrische-Nederlanders’). Er blijft vermoedelijk behoefte aan een overkoepelende term voor alle inwoners met een niet-Nederlandse ouderlijke herkomst. Daarvoor is ‘inwoners met een migratieachtergrond’ een goede kandidaat, maar er zijn andere opties, zoals ‘migranten en hun kinderen’, ‘inwoners van niet-Nederlandse ouderlijke herkomst’ of ‘inwoners met een internationale achtergrond’ (die laatste omschrijving is ook nogal onprecies, maar is misschien nog het minst vatbaar voor stigmatisering). Het zou prachtig zijn als iemand een goede, korte Nederlandse vertaling aandraagt voor foreign born en native born, maar we zouden deze begrippen ook kunnen overnemen – ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ zijn tenslotte ook leenwoorden.

3. In onderzoek en beleid blijft met deze nieuwe indelingen alles mogelijk wat nu ook gebeurt. Ik verwacht echter dat ze onderzoekers en beleidsmakers zullen aansporen om nieuwe vragen te stellen. Het wordt bijvoorbeeld minder vanzelfsprekend om steeds de autochtonen als norm te nemen voor een geslaagde integratie. Misschien gaan we nieuwe foreign born-groepen, zoals de Syriërs, straks wel vergelijken met onze native born – of ze nu een ‘migratieachtergrond’ hebben of niet.