Cultuur

Interview

Interview

‘Mijn muziek luistert naar wat de aarde zegt’

Bijna veertig jaar woonde componist John Luther Adams in de wildernis van Alaska. De ongetemde natuur vormt een rode draad in zijn werk. Een portret in vijf natuurthema’s.

Het online tijdschrift Musical America verkoos hem tot de belangrijkste componist van 2015. Alex Ross (The New Yorker) noemde hem een van de origineelste muzikale denkers van de 21ste eeuw. Zijn slagwerkcompositie Inuksuit (2009) werd reeds op zes van ’s werelds zeven continenten uitgevoerd (de Antarcticaanse première is in de maak). En ondertussen staat de muziek van John Luther Adams (1953) de komende maanden opvallend vaak op het programma in Nederland.

Over belangstelling voor zijn werk heeft de Amerikaan dus weinig te klagen. Dat is wel eens anders geweest. Terwijl zijn naam-, generatie- en vakgenoot John Coolidge Adams in de jaren tachtig en negentig wereldwijd furore maakte met opera’s als Nixon in China en The Death of Klinghoffer, leidde John Luther een kluizenaarsbestaan in de wildernis van Alaska.

Hij woonde er bijna veertig jaar. Na een compositiestudie aan CalArts (Los Angeles) en een grijs verleden als drummer in verschillende experimentele rockbands, betrekt Adams in 1978 een primitieve blokhut in de heuvels rondom Fairbanks. A la Thoreau, zeg maar. Even verdient hij de kost als natuuractivist, maar al snel kiest hij definitief voor de muziek. „Ik was ervan overtuigd dat muziek, zij het op een andere manier, evenveel verschil kan maken als natuuractivisme”, motiveert hij achteraf zijn keuze in het pamflet Global Warming and Art.

En dus gaat Adams in de jaren tachtig aan de slag als percussionist van het Fairbanks Symphony Orchestra en het Arctic Chamber Orchestra. Gelijktijdig begint hij zich te ontplooien als componist met een opvallend eigen geluid. Denk: de experimentele traditie van John Cage, Morten Feldman en Lou Harrison, maar dan doortrokken van een wind die geurt naar taiga, toendra en barre sneeuwvlaktes.

Connotaties van besneeuwde woudreuzen en kruiende ijsformaties kleven nog steeds aan Adams’ muziek, ook nadat hij in 2014 zijn componeerhut in het Hoge Noorden had verruild voor een appartement in New York en een camper in de Mexicaanse Sonorawoestijn. Zelf spreekt hij trouwens liever van een ‘ecology of music’, van een klankwereld die zich ontvouwt op het grensgebied tussen natuur en cultuur, tussen landschap en verbeelding.

Het laat zich raden waarom zijn groen gerande esthetiek anno 2017 zo tot de verbeelding spreekt.

Natuurmuziek

Adams’ diepgewortelde liefde voor The Great Outdoors is altijd voelbaar geweest in zijn muziek. Neem het vroege Songbirdsongs (1974-79), een cyclus voor twee fluitisten, percussie-ensemble en celesta waarvoor hij inspiratie putte uit vogelzang. Wat op papier vooral aan Messiaen doet denken, heeft in de klinkende realiteit een heel eigen sound. Ongepolijster. Meer gericht op klank en ruis dan op toon. Door en door Amerikaans in de ongedwongen wijze waarop de muziek zich als vanzelf ontvouwt.

Het tiendelige Earth and the Great Weather (1990-93) is epischer van opzet. Met opgenomen Inupiaq-teksten, natuurgeluiden op tape en slagwerkmuziek klankschildert Adams groots en meeslepend landschappen en sublieme arctische vergezichten. Van het etherische ‘The Circle of Suns and Moons’ tot de daverende ‘Drums of Fire, Drums of Stone’.

Ook zijn recente muziek wortelt stevig in de natuur en haar elementen, zij het op minder picturale wijze. In zijn eigen woorden: „Ik heb het gevoel dat mijn werk steeds minder over een bepaalde plaats gaat, maar dat het die plaats zelf tot muziek laat worden.” Voorlopig hoogtepunt van die filosofie: The Place Where You Go To Listen, een permanente installatie in het Museum of The North, die seismografische, meteorologische en astronomische data in real time omzet in een magisch klank- en lichtspel. Bij Adams wordt de natuur zelf tot uitvoerder, al grijpt hij daarvoor – o ironie – wel terug op de nieuwste computertechnologie.

John Luther Adams - The Place Where You Go To Listen

Water

In zijn lezing ‘Music in the Anthropocene’ (te zien op YouTube) beschrijft Adams hoe hij op een verlaten strand naar het gebulder van de Stille Oceaan luistert. Hij ontwaart de stem van de zee in het crescendo en diminuendo van de golven en in het geraas waarmee ze als reusachtige bekkens op de kust uiteenspatten.

Op de achtergrond klinkt een fragment uit Become Ocean (2013), het drie kwartier durende orkestwerk waarmee hij een Pulitzer Prize (2014) en een Grammy (2015) won. Net als in zijn vroegere waterstuk Dark Waves (2007) gaan afzonderlijke toonhoogtes en ritmes kopje-onder in een kolkende klankzee. Soms maakt zich een pianoriedel of marimbaloopje los uit een massa strijkers en koper. Flarden opwaaiend zeeschuim boven een machtig spel van eb en vloed.

In Become Ocean wordt muziek een synoniem voor ruimte, zo uitgestrekt dat de afzonderlijke details van Adams’ gelaagde klankstromen zich per definitie aan het oor onttrekken. Als luisteraar krijg je het gevoel ondergedompeld te worden in een weids panorama, niet enkel toeschouwer te zijn, maar de deining van het water lijfelijk te ervaren.

John Luther Adams - Become Ocean

Licht

Licht kan rond de poolcirkel tot verbluffende taferelen leiden, die zich niet alleen beperken tot het paars-groene vuurwerk van het noorderlicht. In zijn essay In Search of an Ecology of Music beschrijft Adams hoe de atmosfeer het zonlicht boven een bepaalde breedtegraad anders breekt, met unieke schakeringen tot gevolg.

Red Arc / Blue Veil (2002) is een poging om dat arctische licht in muziek te vangen. Met modale toonclusters en een bezetting van percussie, piano en elektronica spant Adams een iriserende regenboog van klank, die onmerkbaar traag van timbre en textuur verandert. Ook The Light Within (2007) is zo’n wonderlijke paradox van veranderlijke stasis. Een elektroakoestische klankwolk hangt twaalf minuten roerloos boven het ensemble. En toch sprankelt en schittert er van alles en verschiet de muziek voortdurend van kleur.

John Luther Adams - Red Arc / Blue Veil

Lucht

Louter open snaren en natuurlijke flageoletten. In zijn strijkkwartet The Wind in High Places (2011) behandelt Adams de vier strijkinstrumenten als een gigantische windharp. Ondanks de strikte beperkingen die hij zichzelf oplegt, weet hij een verrassend gevarieerde muziek uit de zestien snaren te toveren. Nu eens waaien etherische open kwinten voorbij, dan weer stuiven ijle boventonen rond in minuscule wervelwindjes.

Heel anders gaat het toe in Sila: The Breath of the World, een groot outdoorstuk dat in juli 2014 in première ging in New York. Instrumenten en zangers stonden ruimtelijk opgesteld op Lincoln Center Plaza. Hier ronkten trombones, fagotten en basklarinetten op de roffel van een grote trom, daar vermengden fluiten en hobo’s zich met de stemmen van een vrouwenkoor tot een eigentijdse sirenenzang. Het publiek was vrij om naar believen rond te wandelen en zo zijn eigen versie van het stuk te creëren. „There is no best seat in the house”, aldus de componist.

John Luther Adams - Sila: The Breath of the World

Aarde

Eerder verkende Adams het ruimtelijke openluchtprincipe van Sila al in Inuksuit, een compositie ‘voor 9 tot 99 slagwerkers’ die sinds 2009 over heel de wereld werd uitgevoerd. Van de bossen van New England, tot het Concertgebouw in Amsterdam (Holland Festival 2015). In juni is in Den Haag een geënsceneerde versie te beluisteren.

Met zijn rauwe percussieklanken die in het stuk worden opgepookt tot trommelvliestergende volumes, is Inuksuit een lofzang op moeder aarde en de woeste krachten die haar vormgeven. Maar op stillere momenten, wanneer er gaten vallen in de roffelende klankmuren en het geluid van de buitenwereld binnendringt, wordt ook de aarde zelf tot muziek. In Music in the Anthropocene voorziet Adams die cageaanse ontvankelijkheid voor ruis en omgevingsgeluid van een groen randje en schrijft hij over ‘ecologisch luisteren’. Daarbij komt het erop aan om onze oren naar buiten te richten en ons open te stellen voor „wat de aarde zelf te zeggen heeft”.

Met een ijsvrije Noordpool in het verschiet en het zoveelste warmterecord op rij is dat misschien nog niet zo’n gek idee.

John Luther Adams - Music in the Anthropocene