Column

Het derde soort moeder

Tot vriendin E. een kind kreeg, dacht ik dat er maar twee soorten moeders bestonden. Het eerste type was de vrouw wier individualiteit verdampt zodra ze een kindje heeft. Het tweede soort was de zelfbenoemde ‘nuchtere’ moeder. Ze klaagt graag over haar nageslacht, gaat nog steeds stappen en knipt haar haar niet af. Op haar Facebookprofielfoto houdt ze de baby in de ene hand en een fles wijn in de andere.

Beide moedersoorten lijken me oké, want ondanks de overdreven zorg van het ene type en de gespeelde nonchalance van de andere, zie ik hun kinderen blij en gehydrateerd opgroeien. Maar afgelopen maand ontdekte ik nog een andere invulling van het moederschap.

Eind november beviel E. van haar eerste kind. Voordat ze zwanger raakte, rookte ze twee pakjes blauwe Gauloises per dag, nam ze als dagelijkse slaapmuts een longdrink Famous Grouse en at dingen die grotere hoeveelheden e-nummers bevatten dan een emmer Joppiesaus. Iedereen was verbluft hoe gemakkelijk ze, nadat ze hoorde dat ze zwanger was, stopte met roken, drinken en de driewekelijkse kapsalon.

„Dat hoort er nou eenmaal bij”, zei ze vrolijk.

Door omstandigheden (vriend in het buitenland, premature bevalling) was ik bij de geboorte. Daarover zal ik ooit een trilogie schrijven, maar het belangrijkste is dat het kindje gezond ter wereld kwam en ik nooit meer rosbief zal eten. Terwijl de pasgeborene bijkwam in de couveuse (baby: ‘Wat de fuck, waar is mijn navelstreng, omg omg omg’) stapte mijn vriendin uit bed, vroeg me om haar te helpen haar schoenen aan te trekken en strompelde vervolgens de kamer uit.

„Wat ga je doen?” vroeg ik.

„Eerst even een paf”, zei ze. Is dat niet slecht, riep ik haar na, en ze riep terug dat de nicotine en aanverwante stoffen twintig minuten na de sigaret alweer uit de moedermelk gefilterd zijn.

En zo ontdekte ik dat er een derde soort moeder bestaat: de calculerende moeder. Die tijdens de zwangerschap alle wetenschappelijke artikelen erop na heeft geslagen om precies uit te rekenen wat haar vrijheden zijn, en dus weet dat twee uur na een glaasje whisky je melk alweer veilig is om te drinken. Die als de baby huilt, kijkt of het behoefte heeft aan melk/verschoning/acute medische zorg, en anders de iPod weer opzet. Die het kind soms bewust een uurtje met rust laat, om te voorkomen dat het verslaafd raakt aan aandacht. Die vakliteratuur inzet om niet alleen de grenzen van haar kind, maar ook van haarzelf te bewaken.

„Ik blij, baby blij, iedereen blij”, zei ze, toen ik haar ernaar vroeg. De baby kirde in de box. Ze glimlachte.

„Het moet voor ons allebei natuurlijk wel leuk blijven,” zei ze, „anders ben je ver van huis.”

heeft een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.