Column

Freek op dreef

Het collectieve geheugen van een land heeft een voorkeur voor zinloze feiten, zoals Gerard Reve ze noemde. Welk cadeau kreeg Fanny Blankers-Koen van haar Amsterdamse buurt voor haar vier gouden medailles bij de Olympische Spelen van 1948 in Londen? Het publiek in een uitverkocht DeLaMar Theater hoorde ik deze week het goede antwoord geven: een fiets.

Ik dank het voorbeeld aan Freek de Jonge, die ik in actie zag in zijn kortstondige programma Dit is geen oudejaarsconference, waarvan hij op 10 januari in hetzelfde theater de laatste voorstelling zal geven. De Jonge liet meteen zien dat het collectieve geheugen ook zijn beperkingen heeft, want wie weet nog waarom Blankers-Koen vier jaar later in Helsinki moest opgeven? Daarover werd nogal geheimzinnig gedaan.

Het was vanwege een steenpuist. En waar zat die? De Jonge had destijds een broer die het dacht te weten – het moest op een harige plek zijn – maar zulke gedachten mochten toen niet openlijk worden uitgesproken, en zeker niet aan de eettafel. Het goede antwoord liet De Jonge achterwege, hij liet het aan onze fantasie over; thuis kon ik in de biografie van Kees Kooman vinden dat Fanny’s fatale puist zich tussen anus en vagina manifesteerde.

Op deze slimme manier toonde De Jonge ons – het is een geliefd thema bij hem en andere oudere mensen – dat het toen ‘een heel andere tijd’ was. Er werd minder direct over intieme zaken gesproken. Het kwam ook terug in zijn ode aan Toon Hermans, wiens teksten – in tegenstelling tot zijn mimiek en timing – daardoor hier en daar gedateerd zijn.

Hoe oud is Freek de Jonge inmiddels? Hij gaf zelf het antwoord: tweeënzeventig. De ambitie en energie die hij nog steeds uitstraalt, hebben iets voorbeeldigs: zo kun je ook oud worden, als het meezit met de gezondheid.

Hij mag dan graag wroeten in zijn verleden – hij praat veel over het domineesgezin waarin hij is opgegroeid – maar uit alles blijkt dat hij ook dicht op de huid van zijn tijd leeft. Er ontgaat hem weinig. Het partijprogramma van de PVV, dat A-viertje, fileert hij punt voor punt genadeloos.

Hij schetst een eenzijdig gebruik van de vrijheid van meningsuiting: die geldt meer voor onszelf dan voor anderen.

Het is ook geen toeval dat hij een vertaling zingt van Strange Fruit van Billie Holiday, dat aangrijpende lied over racistische lynchpraktijken in de VS. Hij waarschuwt zonder belerend te zijn: we mogen zelf invullen waarom hij juist dit lied zingt.

Maar bovenal is hij leuk en blijft hij je verrassen met zijn associatieve vermogen. Hij persifleert én eert Johan Cruijff met een aantal cruijffachtige uitspraken die rechtstreeks uit de mond van onze voetbalgod lijken te komen. Ook typeert hij zijn kletsende vader, liggend op de bank, op een manier waarin wij allemaal een stukje van onze eigen vader kunnen terugzien.

Na de pauze groeit hij voor mij naar het hilarische hoogtepunt als hij de verkeerschaos op de Nassaukade, bij het Vondelpark, in Amsterdam tot in detail beschrijft. Hij moet daar goed hebben rondgekeken, want je ziet het voor je: de ordeloos tegen elkaar in roeiende verkeersstromen en de machteloos toeziende verkeersregelaars.

Er gingen vorig jaar veel belangrijke artiesten dood, maar Freek de Jonge leeft nog.