Een kunstsalon anno 2017

Het bedrijf In4Art koopt werk van jonge kunstenaars, dat ze willen delen met jonge liefhebbers. En zelf zijn de verzamelaars ook jong. Maar voor hun kunstsalon lieten ze zich inspireren door hoe dat 100 jaar geleden ging in het Parijs van Gertrude Stein en Ernest Hemingway.

Habitat, Jakob de Jonge, 2016

‘Als je niet veel geld hebt moet je kiezen: of je koopt kleren of je koopt schilderijen. Mijn advies: maak je niet druk om wat in de mode is, koop comfortabele kleren die lang meegaan. Van het geld dat je zo bespaart, schaf je kunst aan.”

Dat zei Gertrude Stein tegen Ernest Hemingway, toen hij haar begin jaren twintig van de vorige eeuw opzocht in haar huis, 27 rue de Fleurus in Parijs. Hij antwoordde dat ook als hij „nog niet één kostuum” zou kopen, er toch niet genoeg geld zou zijn voor „de Picasso die ik graag wil hebben”.

Natuurlijk niet, zei ze: „Die is te duur voor je. Koop werk van leeftijdgenoten, mensen die in dezelfde jaren als jij op school zaten of het leger in moesten.”

En nog een advies: „Ga met die kunstenaars praten, ze wonen hier in de buurt. Hun persoonlijkheid, hun verhaal is minstens zo belangrijk als het werk dat ze maken.”

Op deze zondagmiddag in december 2016 is 27 rue de Fleurus, indertijd een verzamelplaats van opkomende kunstenaars, een adres aan de Rotterdamse Rijweg. Tenminste, zo stond het in de uitnodiging voor de eerste In4Art-salon van Lija en Rodolfo Groenewoud van Vliet, ‘bij ons thuis in Rotterdam’: „De In4Art Salons zijn geïnspireerd op de Salon van Gertrude Stein, beschreven in A Moveable Feast door Hemingway.”

Het boek is te vinden in de kamer op de eerste verdieping die de bibliotheek wordt genoemd, waar vanmiddag de haard brandt en op een tafeltje schaaltjes kaas en nootjes staan. Er hangen ook zeven werken, allemaal van jonge kunstenaars: Wouter van der Laan (1993), Constant Dullaart (1979), Faranu (1980).

Leeftijdgenoten, die Lija en Rodolfo Groenewoud van Vliet hebben leren kennen. En die, vonden ze, een belangwekkend verhaal te vertellen hadden.

Vandaar dat als je stiekem de slaapkamer inloopt („privé”, vermeldde het plattegrondje dat bij binnenkomst klaarlag), je nóg een werk aantreft van Wouter van der Laan, op zijn zijkant tegen de muur gezet omdat het eigenlijk te groot is voor dit vertrek (1,50 bij 2,00 meter).

Beneden, in de woonkamer, leunt een al even groot werk van hem (Untitled, 2016) tegen de dicht geschoven gordijnen van het achterraam. Wouter van der Laan, zeggen ze, „maakt een ontzettende ontwikkeling door, het maakt zijn werk erg spannend”.

Beginnende verzamelaars

Rodolfo (1987) en Lija (1985) Groenewoud van Vliet, beiden afgestudeerd in innovation management, stonden eerder in deze krant. Bijna een jaar geleden, toen ze als beginnende verzamelaars voor het eerst kunst aankochten op kunstbeurs Art Rotterdam. Met geld van Rodolfo’s vader, eigenaar van een IT-bedrijf, begonnen ze aan hun droom: jonge kunstenaars vooruit helpen door werk van ze te kopen, te tonen en te verspreiden, onder een eveneens jong publiek.

Twee werken kochten ze toen, van Konrad Wyrebek (1983) en Tanja Ritterbex (1985). Van Tanja Ritterbex hebben ze intussen drie schilderijen, die hangen vandaag in de woonkamer. Verder in die kamer, de keuken en de hal: Jakob de Jonge (1982), Jaakko Pallasvuo (1987), Ben Buechner (1975), Ia Liparteliani (1980). En nog meer Faranu.

Wat is de bedoeling van een ‘artistieke salon’ voor jonge kunstenaars anno 2017 (de volgende is begin maart)? En wie komen er?

Nou, curatoren, verzamelaars, introducés, potentiële leden. En kunstenaars, natuurlijk. Zodat je kennis met ze kan maken – en zij met elkaar.

Faranu is er, zij staat op de ‘scouting list’ en kan vandaag laten zien wat ze maakt. Annemarie Hooghuis (1985) is er ook (Rodolfo: „Ze is bezig met een serie, we wachten nog even tot die compleet is”), net als Quin de Vreede (1983). Annemarie Hooghuis is bevriend met Inge Aanstoot (1987), die er niet is, maar die ze al wel opzochten in haar atelier (Lija: „Zij is erg goed bezig, wij hopen haar vooral in het buitenland te gaan helpen”).

Boven, in de bibliotheek, laten de aanwezige kunstenaars elkaar hun werk zien op de telefoon: „Post-apocalyptisch, noem ik het zelf.” „Het is heel direct, toch?” „Ja, het is rauw. Ik maak niet zulk vrolijk werk.” „Woow, is dat van jou?”

Portfolio

Familie is er ook: Lija’s moeder, die een straat verderop woont, komt even langs. Dat is meer voor de gezelligheid. Eigenlijk past ze vanmiddag op Noah, van twee, die er niet is maar ook een beetje wel: voor hem zijn de hekjes bij de trapopgangen die vanmiddag allemaal open staan. Rodolfo’s vader is er ook. Hij heeft een eigen collectie (met daarin nu ook een Tanja Ritterbex).

En er zijn leden van In4Art. Zoals Jos Maccabiani (1977), die vandaag voor het eerst voor Habitat van Jakob de Jonge staat, dat de komende drie jaar in zijn huis zal hangen. Hij had het werk tot nu toe alleen gezien in het portfolio van Lija en Roldolfo, waarmee ze langsgaan bij mogelijke nieuwe leden: kijk, dit hebben we, wat spreekt je aan. En: we kennen de kunstenaar persoonlijk, dus we kunnen je meer vertellen over zijn bedoelingen.

Want dat is dus waar het salon-idee op terug is te voeren: een kunstenaar heeft een verhaal, dat te maken heeft met de tijd waarin hij leeft – en dat hij moet kunnen delen met zijn publiek. Al is dat laatste soms wennen. Wanneer Lija, aan het einde van de middag, iedereen bedankt voor zijn bezoek, vraagt ze of Faranu („onze visiting artist”) nog wat wil zeggen. „Oh nee”, reageert die. Maar dan neemt ook zij het woord.

    • Gretha Pama