Column

Droom en daden van het basisinkomen

Tweeduizend werkloze Finnen krijgen de komende twee jaar elke maand 560 euro op hun rekening gestort, zonder enige tegenprestatie. Dit Finse experiment met een ‘basisinkomen’ spreekt tot de verbeelding. Een basisinkomen neemt stress over een deel van de eerste levensbehoeften weg, het zou een rechtvaardiger inkomensverdeling kunnen bieden én een oplossing voor een toekomst waarin werk schaarser wordt door vergaande robotisering. En het haalt de bezem door de enorme complexiteit van de verzorgingsstaat. Waarom niet de mogelijkheid om werk te doen dat persoonlijk bevredigend is? Of om onbetaald aan de slag te gaan? Of om de hele dag niets uit te voeren?

Experimenten zijn ervoor om te kijken wat mensen in die situatie doen. De Beeldende Kunstenaarsregeling (BKR) werd in Nederland in 1956 ingevoerd en was eigenlijk een vroege vorm van basisinkomen voor een specifieke beroepsgroep. De kunstenaars zaten niet stil: in 1986, toen de regeling danig uit de hand was gelopen, zat het Rijk, dat de vruchten van de arbeid voor een deel afnam, met 220.000 kunstwerken.

De Finse proef zal goed bedoeld zijn, maar moet gezien de opzet niet al te serieus genomen worden. Ze is te kleinschalig om grote conclusies uit te trekken, het basisbedrag is vermoedelijk te gering om werkelijke gedragsveranderingen bij de ontvangers teweeg te brengen. En die gedragsveranderingen zullen niet diepgaand genoeg zijn, omdat de deelnemers weten dat de proef over twee jaar alweer over is.

Dat is jammer: de uitkomst van de proef zal straks door voorstanders, dan wel tegenstanders van het basisinkomen gebruikt worden als bewijs voor hun eigen gelijk. En als de opzet mank is, dan zijn de conclusies dat ook.

Ook experiment in Schotland

Hoe zet je een goede proef op? In Schotland overwegen Fife en Glasgow een experiment, maar ook dat zal, voor zover al bekend, beperkt van opzet zijn. Invoering voor een bepaalde groep geeft waarschijnlijk te weinig aanwijzingen voor collectief gedrag en grootschalige maatschappelijke verandering. Aan soortgelijke pilots, of plannen daarvoor is geen gebrek, van Italië tot Canada.

Er zijn tal van bezwaren denkbaar tegen het basisinkomen. Moreel: het zou ledigheid belonen. Intellectueel: het zou gestoeld zijn op de misvatting dat er minder werk komt door robotisering, kunstmatige intelligentie en andere innovaties. Financieel: het zou onbetaalbaar zijn. Of alleen te financieren als bedrijfswinsten hevig worden afgeroomd – terwijl de trend in de belastingheffing nu juist de kant van de consument en werknemer opgaat, niet het bedrijfsleven.

Lees hier vijf vragen over het basisinkomen: Ga je werken als je een basisinkomen van 560 euro krijgt?

Maar het idee blijft sympathiek, en het belangrijkste bezwaar praktisch. Systeemveranderingen zijn prima uit te denken. Een vlaktaks, een banksysteem dat met 100 procent eigen vermogen werkt. Bitcoin voor de hele wereld. Maar systeemveranderingen zijn wat ze zijn: de verandering van een geheel, complex, samenhangend systeem in een ander. Een geleidelijke overgang is lastig.

In één klap grootschalig aan de slag dan? De weerstand tegen systeemveranderingen is groot: in Zwitserland werd afgelopen zomer een referendum gehouden over de invoering van een basisinkomen voor iedere volwassene van 2.260 euro per maand. Kijk, dát is het echte werk. Maar het voorstel werd door viervijfde van de kiezers afgewezen. Misschien was het, zo dicht op de bron van het calvinisme, wel wat te veel gevraagd.

Maarten Schinkel schrijft elke donderdag op deze plek over macro-economie en de financiële markten