Column

De hond helpt de schilder aan leven

Waarom doet een hond het zo goed op een schilderij? Misschien omdat een hond een soort mens is, maar dan met alle vrijheid om zichzelf te zijn.

Het kasteel ligt ten westen van Parijs en het heet Chateau de Chantilly – wat slagroomkasteel betekent. Ik voel me inderdaad of ik in de slagroom val, want in dat kasteel huist Musée Condé. Met Rafaël, Filippino Lippi, Jean Fouquet and all their jazz. Ik zie de brede heupen van drie gratiën uit 1500. Ik zie al die afbeeldingen van Maria, heftig aanbeden moedermaagdje. En ik zie onvergetelijke honden. Tegen die ene goed getroffen kitten, geaaid door de driejarige aanstaande Franse koning Charles IX (op een klein portret van François Clouet, 1555), liggen ze, staan ze, lopen ze te kwispelen. Geschilderde honden zijn edelfiguranten, maar let op ze en je zit een bron van levendigheid. In tegenstelling tot katten. Die lukken zelden, de schilder kan er weinig mee.

De poezen zijn filmsterren – recentelijk stal een grijze kater nog de show in Paul Verhoevens Elle. Maar de honden zijn schildersmodellen. Waarom doet een hond het zo goed op een schilderij? Misschien omdat een hond een soort mens is, maar dan met alle vrijheid om zichzelf te zijn. Niet gehinderd door een keurslijf van schijn, tradities, modes en codes gaat hij zijn gangetje. De hond is een uitkomst voor de schilder, ik zie het altijd en ook hier weer, in Musée Condé.

Ik ben hier vanwege een boek. Mariëtte Haveman stelde het samen, het heet Het reizende detail. Het beschrijft de Werdegang van motieven in de Europese schilderkunst van 1400 tot 1500. De punthoeden en plateauzolen (60 centimeter!) van adellijke vrouwen. De veren van engelenvleugels. De os en de ezel bij de geboorte van Jezus (op ieder paneel op hun post maar in de Bijbel staan ze niet). En nog veel meer. Ik las het als een razende, het is rijk en het is gek. Het verwijst vaak naar het getijdenboek van de Duc de Berry uit 1415 en doet dat zo aanstekelijk, dat ik dat nu wel eens zelf wil zien. Musée Condé heeft het. Maar waar is het, in welke zaal, in welke vitrine? Helaas, het is niet te zien, het zit in de kluis („Wij vertrouwen op uw begrip”). Enfin, ik zeur niet, er blijft genoeg over. Kijk! De ‘Venus’ van Ingres! En heel veel middeleeuwse honden.

Ik herlees Het reizende detail en zoek de hond. Hij heeft geen eigen hoofdstuk, hij krijgt maar één alinea. Maar hij heeft wél een eigen citaat, uit 1456. Toen beschreef de Italiaan Bartolomeo Fazio hoe er enthousiast werd gereageerd op een schilderij van Jan van Eyck, waar „een hondje op staat dat water likt”. Ik blader door. En vind een eigengereid grijze hond, ook van Van Eyck. Hij staat middenvoor de opdrachtgevers, het echtpaar Arnolfini, eigenlijk tussen hen in. En ondergraaft hun formele pose. Woef!

Hoe zit het nu met de film? De cinema maakt honden pathetisch, daar gedijen de poezen. Ze zijn zachtvachtige spoken, spottend met de mens en zijn gewetenloosheid. Dezer dagen woedt in de filmtheaters een retrospectief van de Italiaanse stokebrand Marco Bellocchio. Ga naar zijn I pugni in tasca (1966) – en let op de kat.