Zijn autobanden niet erger dan kunstgras?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap antwoord op een vaak gestelde vraag. Vandaag: is het slijtstof van autobanden niet gevaarlijker dan rubberkorrels in kunstgras?

Foto Jordy Rietbroek

Ouders van voetballende kinderen maken zich druk om schadelijke stoffen die uit de rubberkorrels op kunstgrasvelden kunnen komen. Vooral polycyclische aromatische koolwaterstoffen (kortweg PAK’s) zijn daarbij een zorg, omdat sommige ervan kankerverwekkend zijn. Maar is het gevaar van voetballen op korrels van vermalen autobanden niet verwaarloosbaar als je het vergelijkt met de blootstelling aan dezelfde stoffen via slijtage van banden?

Inderdaad: bandenslijtage draagt evengoed bij aan de blootstelling van mensen aan schadelijke stoffen uit rubber, net als de korrels in kunstgrasvelden.

Hoewel de bron dezelfde is, is de intensiteit en de wijze van blootstelling verschillend. Mensen krijgen de stoffen uit rubberkorrels vooral binnen via huid en inslikken, terwijl die via bandenslijtstof vooral binnenkomen door inademing. Sporten doen mensen een paar uur in de week, maar ze ademen voortdurend. Het is complex om deze heel verschillende invloeden onderling te vergelijken. We doen hier toch een poging, alleen voor PAK’s. De uitkomst is een ruwe inschatting.

Het is niet makkelijk een betrouwbaar getal te vinden voor de blootstelling van Nederlanders aan bandenslijtstof. Maar via onderzoek van Deltares en TNO dat wordt aangehaald in het tijdschrift Milieu van september 2015 is een schatting te maken. Dankzij het gebruik van zoab (zeer open asfaltbeton) op snelwegen komt hier relatief weinig bandenslijtstof in de lucht. In Nederland gaat het jaarlijks om zo’n 1.040 ton bandenslijpsel. Dat komt ongeveer overeen met 30.000 versnipperde autobanden. Ter vergelijking: op een kunstgrasveld ligt volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een hoeveelheid rubberkorrels gelijk aan 20.000 banden.

We rekenen verder aan het bandenslijpsel: jaarlijks produceert het Nederlandse wagenpark er 8.768 ton van (waarvan dus 1.040 ton in de lucht vrijkomt). In dit slijtstof zit naar schatting 175 kilogram aan PAK’s. Daarvan komt (175/8.768)*1.040 = 20,75 kilo in de lucht. Per Nederlander (17 miljoen mensen) komt dat uit op een blootstelling van 1,2 milligram PAK’s per jaar (uitgaande van het onrealistische scenario dat álle bandenstof wordt ingeademd).

Dan de velden. Hier is inslikken de belangrijkste blootstellingswijze. Het RIVM berekende in een laboratoriumproef dat ongeveer 9 procent van PAK’s uit ingeslikte rubberkorrels in het lichaam wordt opgenomen. Het gemeten gehalte aan PAK’s in rubberkorrels was 5,8 mg per kilogram rubber. In de rekenmodellen gaat het RIVM ervan uit dat sporters 0,2 gram rubberkorrels (een klein handje) per wedstrijd of training kunnen binnenkrijgen door inslikken. Dat betekent dus 0,00116 milligram PAK’s die ingeslikt worden, waarvan 0,0001044 milligram in het lichaam wordt opgenomen. Uitgaande van een sportfrequentie van drie keer in de week kom dat uit op een blootstelling van 0,016 milligram PAK’s per jaar.

Daarmee lijkt de blootstelling aan PAK’s uit kunstgrasvelden een stuk lager uit te vallen dan de blootstelling via bandenslijtstof. In deze berekening is er een verschil van een factor 100. Het is een ruwe, maximale schatting. Niet iedere sporter zal drie keer per week een handje rubberkorrels eten en niet ieder rondzwevend bandenslijtdeeltje zal worden ingeademd en opgenomen. Het is eigenlijk aan het RIVM om dit nog eens goed na te rekenen.

Sander Voormolen

    • Sander Voormolen