Recensie

Nog een gamefilm mislukt

Jammer genoeg blijkt opnieuw dat wat werkt in een game zich moeilijk laat vertalen in een filmscenario. ●●

De sterrencast van Assassin’s Creed doet haar uiterste best om het scenario gebaseerd op de populaire computergame-reeks overtuigend te brengen. Michael Fassbender schuimbekt manisch als hij voor de zoveelste keer de herinneringen van een 15de-eeuwse voorouder beleeft, Marion Cotillard spreekt iedere zin uit alsof ze op het punt staat in huilen uit te barsten. Het blijkt niet voldoende.

Wie de game niet kent, moet goed opletten aan het begin van de film: daar wordt uitgelegd dat er al eeuwenlang een strijd gaande is tussen twee sektes: de Assassijnen en de Tempeliers. Die laatsten willen de vrije wil van hun medemens afnemen, en het object om dit te verwezenlijken is „de appel van Eden”. Dit bijbelse concept is in de film een metalen object dat de Assassijnen in de 15de eeuw ergens hebben verstopt.


Crimineel Callum Lynch (Fassbender) is een nakomeling van een Assassijn. Afstammelingen van de Tempeliers verplichten hem via de machine van Dr. Sophia Rikkin (Cotillard) herinneringen en gevechten van zijn voorvader te herbeleven: zo kan Lynch hen richting begeerde appel leiden.

Jammer genoeg blijkt opnieuw dat wat werkt in een game – hier: zich als speler verplaatsen in het lichaam van een messenzwaaiende voorouder – zich moeilijk laat vertalen in een filmscenario. Door de geforceerde dialogen, het overdreven inzoomen op symbolische objecten en de tientallen bijfiguren krijgen de hoofdpersonen geen ruimte om tot leven te komen. En dan worden zelfs geweldige actiescènes waarin ze van dak naar wasdraad naar kerktoren springen niet spannend. Assassin’s Creed is als kijken naar een kennis die gamet. Je hoopt stiekem dat-ie snel sneuvelt zodat je de controller kunt overnemen.