Recensie

In de visionair schuilt altijd een charlatan

Jacques Cousteau is in L’Odyssée geen al te grote ploert. Jammer, want hoe erg is het nou eigenlijk hij niet deugde? ●●●

Wat is de beste biopic over Jacques-Yves Cousteau, Frans avonturier, mediafenomeen en oceanograaf? L’Odyssée, deze week in de bioscoop? Of toch Wes Andersons spoof The Life Aquatic with Steve Zissou uit 2006, met Bil Murray als corpulente versie van de pezige kapitein?

Cousteau is nu zo retro als een lavalamp, maar tot diep in de jaren tachtig was het een jongensdroom om tot de broederschap van deze poëtische, ietwat ongrijpbare duikpionier toe te treden. Mee te varen op de Calypso met rechterhand Bébert, scheepsmoeder Nicole en knappe zoon Philippe. Heroïsch in speedo en bronzen bast, of met trui en rood mutsje, op het dek te poseren alvorens af te dalen in ‘le grand bleu’ om avonturen te beleven met haaien en scheepswrakken.

Die curieuze broederschap trof regisseur Wes Anderson knap in The Life Aquatic with Steve Zissou, een satire gefilmd nadat de echte kapitein al van zijn voetstuk was gevallen. In die film zagen we een egoïstische, onthechte Bill Murray stagiaires en bemanningsleden uitbuiten en laveren tussen louche financiers, vervreemde echtgenote, maîtresses en een zoon die neerstort. Niettemin omhelst de bemanning Zissou in de finale: onze klootzak.

Iets dergelijks voel je ook na L’Odyssée voor Jacques Cousteau, en dat maakt de biopic best geslaagd. Als held is Cousteau namelijk aangeschoten wild: recentelijk noemde criticus Gérard Mordillat hem (gemakzuchtig) „de ergste soort slager”. Aanleiding was Le Monde du silence, die in 1956 als eerste documentaire de Gouden Palm won in Cannes. Het is zestig jaar na dato inderdaad schokkend te zien hoe Cousteau en zijn mannen met onderwaterscooters door het rif raggen, zeeschildpadden als pony gebruiken, een potvis rammen, diens baby in de scheepschroef vermalen en voor de lol haaien in mootjes hakken.

Maar andere tijden: anno 1956 bood Cousteau een soort troostexpansie in de natuur terwijl het Franse koloniale imperium op het droge implodeerde. Dat was nog niet de milieubeschermer Cousteau die in de jaren zeventig ’s werelds huiskamers veroverde. De kapitein was best in staat tot gevorderd inzicht.

Biopic L’Odyssée schrijft Cousteaus bekering tot ecologie toe aan zijn in 1979 neergestorte lievelingszoon Philippe, de piloot die pa had willen zijn. Het draait om Cousteau de familieman, de Kaïn en Abel-relatie met zonen Jean-Michel en Philippe, de verbittering van echtgenote Simone, meesteres van de Calypso terwijl Jacques elders maîtresses bevruchtte. Hoe de roem een huisvader verandert in een windbuil.

De ergste familievetes houdt regisseur Salle impliciet, misschien om de erven-Cousteau binnenboord te houden, misschien omdat de kapitein anders een al te grote ploert werd. Jammer, want hoe erg is het nou eigenlijk dat het fenomeen Cousteau niet deugde? In elke visionair schuilt een charlatan, en op zelfrelativering bouw je geen imperium als dat van Cousteau, die zijn fans meevoerde naar een indertijd onbekende, magische onderwaterwereld. Die fascinerende, en ook licht belachelijke, Cousteau trof Wes Anderson iets beter in The Life Aquatic with Steve Zissou.