Interview

‘Ik bouw orkesten door musici te leren naar elkaar te luisteren’

Antonio Pappano (57) dirigeert deze week het Koninklijk Concertgebouworkest. ‘Wij, Italianen, laten ons vervoeren door de dramatische lijnen in de muziek.’

Foto Richard Cannon / ANP

Zijn lichaam kraakt nog, zegt dirigent Antonio Pappano. De Italiaanse nacht begint net in Rome: een stad van echo’s en illusies, als we de middeleeuwse schilder Giotto mogen geloven. Vanavond is het waar. Klank en verbeelding sluiten een verbond in Beethovens Zesde en Achtste Symfonie. Het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia laat zijn instrumenten praten en zingen onder de boetserende vingers van Pappano. Voor sommige bezoekers blijkt de verleiding onweerstaanbaar. Op een van de rijen begint een oude dame onbewust mee te neuriën.

Pappano glimlacht. „Wij, Italianen, laten ons vervoeren door de dramatische lijnen in de muziek. Beethoven schreef weliswaar slechts één opera, maar zijn negen symfonieën vormen epische verhalen. Ze gaan ergens naartoe, er komt altijd een moment dat Beethoven je confronteert met een grote vraag. Ik ben van origine een operadirigent, die gewend is aan woorden bij de noten. Alleen met de instrumenten voelde aanvankelijk kaal en eenzaam, alsof ik voor de spiegel werd gezet om te onderzoeken wat er werkelijk in mijn hart en ziel te vinden was. Hoever reikt dan de verbeelding?

„ Een musicus hoeft niet altijd en overal bij de noten een vertelling te verzinnen, maar ik geloof dat muziek van nature verhalend is, zelfs de absolute. Neem nou de sonatevorm: een eerste thema komt tevoorschijn, een tweede duikt op, en er ontstaat wrijving die ten slotte weer oplost – intussen vormen zich dialogen, twistgesprekken, en uit dat alles rijst de menselijke natuur op.”

Dat obsessieve beuken

Pappano staat op en strekt zijn rug met een pijnlijke grimas. Wie Beethoven dirigeert en na afloop niet naar de osteopaat hoeft, doet iets verkeerd, vond zijn vakgenoot Simon Rattle, chef van de Berliner Philharmoniker. Pappano grijnst. „Het is de gruwelijke massa accenten die Beethoven in de partituur schrijft. De vasthoudendheid en dat obsessieve beuken”, verzucht Pappano. „Zouden ze te maken hebben met de doofheid van de componist? Een soort compensatie? Hij maakt er wel een troefkaart van, Beethoven. Maar dan zijn er plotseling ook de langzame delen. Hoe komt hij eraan? Zo poëtisch, persoonlijk en diep, alsof hij de geheimen van het bestaan onthult.” Pappano gaat weer zitten. „Rattle heeft natuurlijk gelijk. Na het dirigeren van Beethoven voelt mijn lijf alsof iemand er een uur met een knuppel op getimmerd heeft.”

De 57-jarige dirigent is een kind van drie culturen. Zijn ouders kwamen uit de armoedige streek rondom Napels. Met één koffer en een paar grijpstuivers op zak beproefden ze eind jaren vijftig hun geluk in Engeland, waar Antonio werd geboren. Moeder verdiende haar geld als naaister en schoonmaakster, vader werkte onder meer als kok in een Londens restaurant, en sprokkelde geld bij elkaar om zang te studeren aan het conservatorium van Milaan. Zijn droom om operatenor te worden smoorde in podiumangst. Wel groeide de oude Pappano uit tot een goede zangpedagoog. Vanaf zijn tiende begeleidde de kleine Tony diens lessen op de piano. Nog eens pakte het gezin alles op en verhuisde, dit keer naar het oosten van Amerika. En daar besloot de 13-jarige Pappano dat de muziek zijn bestemming zou worden. „Een jaar later ging ik er mijn geld mee verdienen, onder andere als barpianist.” Hij bezit, zei hij eens, de arbeidsethos van de Amerikaanse immigrant, het Italiaanse gevoel voor theater en de Britse onverzettelijkheid.

Nog elke zomer geeft hij een concert in het geboortedorp van zijn ouders „om de politici eraan te herinneren dat het bestaat”, want veel van zulke plekken in Italië worden vergeten. „In mijn kindertijd woonde ik een jaar in Castelfranco”, vertelt hij. „Het is terra cruda, wrede grond, de bewoners zijn er nors. De zon brandt de akkers geel en bruin in de zomermaanden. Het is een geteisterd landschap, maar ik hou ervan.”

Als jonge twintiger werd Pappano repetitiepianist bij de New York City Opera. Vervolgens zwierf hij door Europa, waar zijn gedreven talent niet onopgemerkt bleef. „Veel mensen vonden dat ik meer kon dan begeleiden. Zij moedigden me aan dirigent te worden. ‘Want je speelt piano alsof het een orkest is’, zeiden ze.” En zo geschiedde. Nog maar dertig jaar oud werd Pappano artistiek leider van Den Norske Opera in Oslo, twee jaar later volgde De Munt in Brussel, waar hij een decennium bleef, en op zijn 42ste keerde hij terug naar de stad van zijn jeugd, Londen, als een van de jongste chefs uit de lange geschiedenis van het Royal Opera House in Covent Garden.

De tekst gaat verder na de video

De eindeloze stemoefeningen

Hij staat bekend als een dirigent die het beste in zangers naar boven kan halen. „Ik weet uit de praktijk van mijn vader hoe moeilijk het is om het lichaam een mooie toon voort te laten brengen. De eindeloze stemoefeningen, soms komen ze terug in mijn dromen. Ik was in mijn jeugd getuige van die worsteling. Dat beroofde de muziek wel van zijn betovering. Maar het leerde me ook hoe ik met de gevoelige zielen van zangers moet omgaan.”

Die liefde voor zang typeert Pappano ook als hij met alleen instrumentalisten werkt. Elf jaar geleden begon hij, naast Covent Garden, ook als chef van het Romeinse Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, sinds het begin van de twintigste eeuw het belangrijkste symfonieorkest van Italië. „Nee, er bestaat geen afkorting voor die naam”, glimlacht hij. Hij trof er een orkest aan met een zangerig karakter. „Maar die eigenschap was slapende. Ik leerde de afgelopen jaren veel van deze musici. Bijvoorbeeld over wat het betekent om een Italiaans musicus te zijn. Over onze krachten en zwakheden. En over waaraan we moeten bouwen. We werken aan ritme, aan het luisteren naar elkaar. Want in het dagelijks leven luisteren Italianen niet, ze praten langs elkaar heen. Ik generaliseer nu enorm, maar het is waar. Ik wil de mediterrane kwaliteit naar boven brengen: de warmte en de zang. Woorden en melodie vormen zo’n krachtig koppel, zo’n Italiaans mengsel ook. Niets is menselijker dan zingen, want de toon komt van binnen uit het lichaam. Die schoonheid wil ik ook overbrengen op mijn instrumentalisten. Ik bouw orkesten door musici te leren naar elkaar te luisteren, zaken te herhalen totdat het een automatisme wordt en ze aan zoveel mogelijk verschillende muziek bloot te stellen.”

Als een gastdirigent met mijn orkest heeft gewerkt, voelt dat alsof iemand aan mijn vrouw heeft gezeten

Deze week wil Pappano als gastdirigent het Koninklijk Concertgebouworkest laten zingen. De lyriek is zijn handelsmerk. „Zingen is wezenlijk voor melodie. Het gaat erom dat instrumenten vrij kunnen zweven.” Hij boetseert klank als een pianist, met zijn vingers, maar hij laat het aan anderen over de Pappano-stijl te duiden. „Ik vind het aanmatigend om het daarover te hebben”, zegt hij. „Laat ik het zo formuleren: als een gastdirigent met mijn orkest heeft gewerkt, hoor ik dat. Ik heb dan twintig minuten nodig om mijn klank te hervinden. We bezitten er verschillende, maar ook één die specifiek is voor ons samen, en die heeft inderdaad met zangerigheid te maken.

„Voor Covent Garden geldt hetzelfde. Daar komen voortdurend gastdirigenten over de vloer, zelfs als ik er ben. Wanneer ik dan luister, voelt het alsof een andere man aan mijn vrouw heeft gezeten. In dat geval welt er een golf van jaloezie in mij op.”