Recensie

Alles heeft een functie in de nieuwe Marcel Möring

In deze eeuwen omspannende roman beleeft een wandelende jood avonturen, runt een psychiater een kliniek en weeft de schrijver een web van ideeën over ontheemding, tijd en eeuwigheid.

Tekening Paul van der Steen

‘Ik ben een psychiater. Redden is mijn ding.’ Het is niet meteen een zin die je verwacht bij een personage van Marcel Möring – en nog minder bij Mendel Adenauer, de held uit Mörings zeventien jaar geleden verschenen debuut Mendels erfenis. ‘Mijn hoofdpersoon heeft besloten zijn eigen weg af te leggen. Die loopt dood’, zei zijn schepper ooit over hem.

Maar Adenauer is er nog – de jonge man die in Mendels erfenis het gewicht van zijn joodse familiegeschiedenis ontdekte, is in Eden een psychiater van zekere leeftijd die kantoorgrapjes maakt over zijn professie. Waarbij die ogenschijnlijke luchthartigheid niet los gezien kan worden van Adenauers notitie aan het eind van het boek: ‘ik heb emoties zoals een papegaai taal heeft.’ Dit is een man aan wie iets ontbreekt.

De lichtheid die af en toe doorbreekt in Eden is wel zo prettig na Louteringsberg (2011), Mörings vorige roman, die ten onder ging aan de dodelijke ernst van zijn hoofdpersoon Marcus Kolpa. In de nieuwe roman (die met Dis en Louteringsberg een trilogie vormt) rest Kolpa nog slechts een bijrol.

De lichtheid van Eden zit vooral in de scènes rondom de langs een spoorlijn gelegen psychiatrische kliniek Licht en Kracht waar Adenauer werkt: er is de mysterieuze zelfmoord (als het dat al is) van mevrouw Helder, echtgenote van een overspelige slager, er is de patiënte die zich nachtenlang van het ene naar het andere erotische avontuur spoedt (of dat verzint), er zijn Adenauers eigen ‘zwerftochten door bos, akker en veld’, en er is het mooie, bijna woordeloze verbond tussen de psychiater en de plaatselijke politieman Bergkamp – ontstaan toen ze ooit samen een afschuwelijke ontdekking deden. Een ieder moet diep zijn eigen bos in, houdt Adenauer zijn omgeving voor – en hij weet dat dat ook voor hemzelf geldt.

Dorp zonder naam

De tweede grote verhaallijn van Eden speelt zich voor een belangrijk deel in het bos af en begint eeuwen geleden met de geboorte van een jongen ‘in een dorp zonder naam’ dat diep verscholen in een woud ligt. ‘Het had geen naam omdat het er niet hoorde te zijn. Het was een plek waar houthakkers, kolenbranders en pelsjagers waren neergestreken. Als een van ons werd gevraagd waar we woonden dan zei hij “daar” en wees in de richting van het dorp dat niet bestond’.

De dorpsbewoners verplaatsten zich geregeld, ook al om te ontkomen aan de agressie van de omgeving die hen voor godsmoordenaars hield. De jongen heeft geen naam, wordt Niekas (‘Niemand’) of Zwarte genoemd, namen die hij in het eeuwen omspannende vervolg van Eden in verschillende variaties zal dragen.

Met deze Niekas heeft Möring een typische zwervende jood geschapen, die hij op een eeuwenlange tocht door Europa stuurt en in verschillende beroepen, van stenensjouwer tot kopiist, avonturen laat beleven. Het voornaamste daarvan is zijn zoektocht naar het ‘Boek van Raziël’.

Volgens de overlevering kreeg Adam het geschrift van een engel nadat hij uit de Hof van Eden was verbannen en de geschiedenis betrad: ‘de gelukzaligheid van de hof, waar het altijd dag en altijd nacht was, zonder dat de uren, de maanden en de jaren verstreken, had plaatsgemaakt voor wat wij tijd noemen.’ Maar het boek dat Adam moest helpen om de tijd het hoofd te bieden, raakt verloren. Eeuwen later gaat Niekas ernaar op zoek, waarbij uiteindelijk – zoals dat gaat in een roman – de verbeelding zegeviert.

Intussen heeft Möring (1957) een web van ideeën geweven rondom thema’s als de kracht van het woord, ontheemding (Mendel Adenauer is in zijn psychiatrische praktijk te Assen even zoekende als zijn patiënten en even thuisloos als de zwervende Niekas), tijd en eeuwigheid: kortom, de volle menselijkheid van het bestaan waarmee we werden opgezadeld toen we uit het paradijs werden verdreven. Die thematische hechtheid spreekt tot de verbeelding, maar het duurt lang voor de stukjes op hun plaats beginnen te vallen.

Dat heeft ook te maken met de manier waarop Möring schrijft. Zijn grote kwaliteit is de beheersing van verschillende registers: van de aan de orale vertelcultuur verwante taal van de oude legenden tot de dialoog gedreven wittiness en het fragmentarisme van de eenentwintigste eeuw. Geleidelijk, met het verstrijken van de eeuwen in Eden, verandert de taal waarmee Möring de verhalen van zijn wandelende jood vertelt.

Kameleontsich vermogen

Dat kameleontische vermogen is bewonderenswaardig, maar heeft nadelen. Want zo gaan de ‘oude’ delen van het boek wel erg als oude volksverhalen klinken. Dat vraagt veel van de lezer. De archetypen en de verwijzingen zijn zo alomtegenwoordig dat je op den duur gaat snakken naar een ongerijmdheid, een anachronisme, naar een moment waarop de taal radicaal anders is dan het vertelde. Waar dergelijke contrasten ontbreken, dreigt het cliché. Dat geldt voor de heersers, jonge vrouwen en mistflarden in het bos van de historische verhalen, maar óók voor de dialogen bij de divan. Alles, of vrijwel alles, heeft daarbij een functie – maar je zou willen dat Möring ons wat meer lucht had gegund.

De psychiater is in zijn praktijk in Assen even zoekende als zijn patiënten

Die kameleontische schrijfwijze kunnen we niet los zien van het verhaal over het ‘Boek van Raziël’, waarin Möring duidelijk maakt hoe fluïde volgens hem de grens is tussen een kopiist en een schrijver. Want hoe precies kan een kopie zijn – zie alleen al de talloze opmerkingen die in marges van middeleeuwse manuscripten staan. En wat is de betekenis van een vervalsing als er nooit een origineel heeft bestaan? Dat zijn de vragen die in Niekas’ verhaal aan de orde komen. Möring voegt daar nog een laag aan toe door in zijn roman reproducties van historische documenten op te nemen.

Eden is het prikkelendst op het meest abstracte niveau – en dat geeft het boek in de laatste honderd bladzijden de vaart die er eerder aan ontbrak. Dan wordt het ook spannender. Want wij weten dan hoe verder de wandelende jood zich door de Europese geschiedenis beweegt, hoe dichter hij bij de twintigste eeuw komt – tot hij onherroepelijk in de armen van de nazi’s zal lopen. Dat lot weet Möring – tweedegeneratieschrijver tegen wil en dank – zijn reiziger met een mooie wending te besparen. Daarmee schept hij een jood die de hele geschiedenis heeft meegemaakt, maar van dat ene geen weet heeft.

En dan schieten je de woorden van Mendel Adenauer te binnen: ‘Redden is mijn ding.’ Möring heeft tenslotte ook iemand gered: Niekas. Natuurlijk is dat slechts een personage en natuurlijk is zijn naam omineus (‘Niemand is gered’), maar toch: wie een mens redt, redt de hele wereld.