Opinie

    • Peter de Bruijn

Hollywood: van oude en nieuwe seks-schandalen

Op de valreep van 2016 haalde The New York Times nog een opmerkelijke recensent in huis voor een boekbespreking. Op 31 december verscheen in de krant een voortreffelijke recensie van een nieuw boek van schrijver en tekenaar Edward Sorel: Mary Astor’s Purple Diary. The Great American Sex Scandal of 1936. Recensent: Woody Allen.

Het boek van Sorel, met fraaie illustraties, gaat over de rechtszaak waarin filmster Mary Astor in 1936 verzeild raakt over de voogdij van haar dochter. Haar ex-man wilde haar uit de ouderlijke macht laten ontzetten vanwege haar overspelige levensstijl. Hij dreigde haar expliciete dagboek openbaar te maken, dat hij in een la had gevonden, onder een stapel ondergoed. De boulevardpers gaf meteen vol gas. Astor, die vooral voortleeft als tegenspeelster van Humphrey Bogart in The Maltese Falcon, zou in het dagboek tal van mannen in Hollywood cijfers hebben gegeven voor bedprestaties. Dat was goed voor wekenlang voorpaginanieuws.

Natuurlijk refereert Allen met geen woord aan zijn eigen bittere ervaringen met seksschandalen en de verwoestende rechtszaak met Mia Farrow. Maar zijn persoonlijke perikelen resoneren onherroepelijk mee. Als hij de preutsheid en hypocrisie van zedenmeesters van destijds hekelt, klinkt iets door van hoe Allen tegen zijn eigen zaak aankijkt.

Maar dat is niet de enige reden waarom Allen zo’n geknipte recensent is voor het boek van Sorel. Allen (81) en Sorel (87) zijn nog van de generatie die als jongens de godinnen van het klassieke Hollywood vereerde, al was Allen naar eigen zeggen meer getroffen door Bette Davies en Vivien Leigh („Wie kan zich meten aan Vivien Leigh?”). Voor Sorel, die tekende voor Esquire en The New Yorker, droeg Astors scandaleuze seksualiteit alleen maar bij aan haar allure, vooral in het huwelijksdrama Dodsworth. „Mijn God, ze was de meest aantrekkelijk vrouw van de wereld in die film.”

Dodsworth was de film waar Astor aan werkte tijdens haar beruchte rechtszaak. De lange arm van de filmstudio’s reikte ver in die jaren: Louis B. Mayer van MGM wilde koste wat kost voorkomen dat het dagboek naar buiten zou komen en een hernieuwde campagne tegen de morele verdorvenheid van Hollywood zou losmaken. Mayer had goede banden met de rechter in de zaak, Goodwin Knight, die niet toestond dat het dagboek werd ingebracht als bewijsmateriaal. Het verdween achter slot en grendel en werd twintig jaar later ongelezen verbrand.

Astors carrière leed geen noemenswaardige schade. Vanaf de jaren veertig zou ze zich – met frisse tegenzin – specialiseren in moederrollen. Slechts enkele passages uit haar dagboek, van dubieuze authenticiteit, haalden de pers. Maar dat was genoeg om tot op de dag van vandaag de verbeelding te blijven prikkelen.

    • Peter de Bruijn