‘Het is een oefening in mild zijn voor jezelf’

Faaltraining

Op de faaltraining van Remko van der Drift leren deelnemers feiten en oordelen te scheiden: „Een fout is een feit met een negatief oordeel. Zonder dat oordeel is het de vraag of er nog wel een fout is.”

Foto’s Gino Kleisen

‘Vandaag gaan we lekker fouten maken!” Remko van der Drift, zelfbenoemd faalkundige, kijkt enthousiast de kring rond. In de groep klinkt opgetogen gepraat. De veertig medewerkers van onderwijsadviesbureau Zien in de klas, die vandaag een ‘faaltraining’ in een evenementcentrum in Maarssen krijgen, zijn redelijk uniform in uitstraling. Allen vrouw, allen tussen de dertig en vijfenveertig jaar. Strakke broeken, jurkjes en enkellaarzen domineren. Vol verwachting wordt al gefluisterd over de lunch die de deelnemers straks, na de cursus, zullen krijgen. Maar eerst wordt er gefaald. „Want van mislukken word je veerkrachtig”, zegt Van der Drift.

Een gedurfde bekentenis

De training begint met ‘faalfitness’, een soort stoelendans. Alle deelnemers zitten in een kring, eentje staat in het midden. Diegene vertelt iets over zichzelf: „Ik ben Madelon en ik houd van festivals.” Alle mensen die óók van festivals houden staan vervolgens op en rennen naar een andere plek. Het gevolg daarvan is dat er telkens één persoon in het midden overblijft: „Ik ben Anna en ik ben dit jaar al op twee kerstmarkten geweest.” Weer rennen alle vrouwen door elkaar heen om zo snel mogelijk weer op een nieuwe stoel plaats te nemen. Bij „Ik ben Tjitske en ik heb een autorijfobie”, blijft iedereen zitten. Snel roept Van der Drift: „Applaus voor deze gedurfde bekentenis!”

„Een oefening als deze gaat over risico’s durven nemen”, legt Van der Drift later uit. „Veel mensen zijn bang om in het midden te staan, bang dat ze niets te zeggen hebben.” Door de deelnemers aan te sporen zoveel mogelijk naar de overkant te rennen in plaats van veilig een paar stoelen op te schuiven, spoort Van der Drift ze aan juist niet naar die innerlijke criticus te luisteren. „Het is een oefening in mild zijn voor jezelf.”

Na de eerste oefening is het tijd om dieper in te gaan op het fenomeen falen en na te gaan waarom mensen daar zo’n moeite mee hebben. „We zijn op een neurotische manier op jacht naar succes”, vertelt Van der Drift de groep. „Alles moet altijd maar perfect gaan.” Hij geeft een voorbeeld: „Ik wilde laatst met de trein reizen, maar toen was er die nieuwe dienstregeling van de NS…” Van der Drift wordt onderbroken door gejoel en gelach. „Jahaaa”, roept een vrouw, „verschrikkelijk!” Die reactie moet dus anders, vindt Van der Drift. „Op het perron staat iedereen dan verkrampt en boos te zijn, omdat ze twee minuten later komen.” In plaats daarvan moeten we werken aan ‘ontkramping’.

Faalkunde

Van der Drift is van oorsprong communicatietrainer. Daarnaast doet hij al lang aan improvisatietheater. „Daarbij is accepteren te falen heel belangrijk. Je moet jezelf kwetsbaar kunnen opstellen.” Begin deze eeuw besloot hij de communicatietrainingen en het improvisatietheater daarom te combineren: de ‘faalkunde’ was geboren. Inmiddels geeft hij trainingen, vaak aan grote bedrijven en instellingen: het ministerie van Economische Zaken, het Van Gogh Museum, de ambtenaren van de gemeente Zoetermeer. Daarnaast schreef Van der Drift twee boeken over de kunst van het falen: Fouten maken moet en Fouten maken moed. Die laatste titel verscheen afgelopen september.

De eerste stap is na te gaan wat een fout eigenlijk is, zegt Van der Drift tegen de groep. „Een fout is een feit plus een negatief oordeel. Maar zonder dat oordeel is het nog maar de vraag of het feit daadwerkelijk een fout is.” Wie het lukt om feiten en oordelen te scheiden, is volgens Van der Drift een ‘ontkrampioen’.

De groep moet nu in tweetallen een recente fout bespreken en vervolgens nagaan of die fout zonder oordeel nog steeds een fout is. Vera en Petra bespreken de kerstboom die Vera onlangs kocht. „Zonder kluit”, vertelt ze. „En ik was vergeten om de stam in het water te zetten. Na drie dagen begonnen er al naaldjes uit te vallen.” Vera had toen een „ontzettend baalmoment”, zegt ze. „Terwijl ik ook gewoon had kunnen denken: volgend jaar beter.”

Na het praten in tweetallen is het tijd voor de eerste sessie ‘ploppen’. De deelnemers moeten weer in een kring gaan staan. „In het midden van deze kring is nu een groot kampvuur”, zegt Van der Drift. Het idee is dat de deelnemers maïskorrels zijn, die na hun gesprek tot nieuwe inzichten zijn gekomen en daardoor tot popcorn ploppen boven het vuur. Dat ploppen gaat door middel van een sprong richting het midden. „Wie plopt er als eerste?”, vraagt Van der Drift. De enige man in de groep springt naar voren. Hij kwam tot nieuwe inzichten door een gedachte aan zijn wekelijkse voetbaltraining. „Als ik een bal verkeerd schiet, hoor ik dat nog drie keer van mijn teamgenoten”, vertelt hij in de kring. „Eigenlijk is hun negatieve oordeel de enige reden dat ik baal van zo’n bal.” „Heel goed”, zegt Van der Drift. „Het is vaak de omgeving die jou vertelt dat iets fout is, waardoor je het gaat geloven.”

Kantoorflaters

Zo’n serie oefeningen wordt een aantal keer herhaald. Eerst een ludieke fysieke oefening (de faalfitness), dan wordt dieper ingegaan op de inhoud door te praten in tweetallen, gevolgd door de catharsis in de kring: het ‘tot popcorn ploppen’. De deelnemers moeten de innerlijke criticus weten te stillen en hun ‘vaste mindset’ omzetten in een ‘groeiende mindset’.

Suzanne Jacobs, directeur van Zien in de klas, kijkt tevreden om haar heen. Volgens haar waren de medewerkers echt toe aan een „stukje relativering” en een „momentje loslaten”. Jacobs: „Het zijn best pittige tantes allemaal, die graag willen presteren.” Dat is ook goed hoor, dat presteren, zegt ze. „Maar het moet niet in de weg gaan zitten.”

De ochtend eindigt met een sessie in de kring, waarbij medewerkers een recent faalmoment delen met de groep. Het zijn klassieke kantoorflaters: een e-mail die voor een collega bedoeld was, maar naar de baas ging. Een fout in de berekeningen, wat veel geld heeft gekost. Een boze sms over het werk naar een geliefde, die bij de manager belandde. Volgens Van der Drift zorgt het delen van dit soort fouten voor een open bedrijfscultuur. „Als falen bespreekbaar wordt, worden werknemers vanzelf milder voor zichzelf en elkaar.”

Niet persoonlijk

Als de ochtend ten einde komt, bedankt de manager van Zien in de klas Van der Drift voor de cursus. „We moeten nog een hoop leren, maar volgens mij hebben we vandaag een goed faalnemen... ik bedoel: voornemen gemaakt.” Van der Drift springt enthousiast op. „Wat een ideaal woord! Die houd ik erin.”

De medewerkers druppelen de zaal uit. Ze gaan een spannende tijd tegemoet: binnenkort zijn de jaarlijkse functioneringsgesprekken. En zojuist hebben ze collectief besloten om de feedback die daarin gegeven wordt nu eens een keer niet persoonlijk te nemen.