Eén moment van mentale zwakte in noordelijke hel

Elfstedentocht

Twintig jaar terug was de – voorlopig – laatste Elfstedentocht. NRC-redacteur Hans Buddingh’, twee Elfstedenkruisjes, over de betekenis van de tocht der tochten, als immaterieel erfgoed. Het is meer dan jeugdsentiment, schaatsen is teruggaan naar je wortels.

Een groep toerrijders tussen Harlingen en Bolsward tijdens de Elfstedentocht van 1997. Van de 16.430 gestarte toerrijders reden er 5.092 de tocht niet uit. Foto ANP

Die vierde januari in 1997 kwam eigenlijk te vroeg. De voorbereiding was niet optimaal geweest. Maar als-ie komt, moet je. Dat is een dure plicht. Aan jezelf en aan de tocht der tochten. Verzaken is geen optie. Ook niet als de leeftijd zich doet gelden – bovendien, schaatsen verleer je niet, net zo min als fietsen.

Twaalf jaar eerder, in 1985, had ik de Elfstedentocht ook al gereden. Ook toen was de onrust in me geslopen. Het was schrikken toen voorzitter Sipke Sipkema van de vereniging de Friesche Elf Steden op maandag 18 februari nogal onverwacht aankondigde dat de tocht op donderdag zou worden gereden. Die zondag had het nog zwaar gedooid. Overal stond die dag water op het ijs. Ik had me er al bij neergelegd dat de tocht niet zou komen. Het was angst voor het onbekende. Nooit had ik verder geschaatst dan honderd kilometer. Dat was een week daarvoor, de Elfmerentocht, de generale repetitie. Na tachtig kilometer was de accu leeg. Met hangen en wurgen haalde ik de finish.

Reinier Paping

Waar ik al mijn hele leven op hoopte was nu ineens dichtbij. Als jochie had ik de poolachtige winter van 1963 meegemaakt. Je kon van Delft naar Den Haag schaatsen over het Rijn-Schiekanaal. Op de zwart-wit tv zag ik Reinier Paping, voor mij nog altijd een grote schaatsheld, de zwaarste Elfstedentocht ooit winnen.

Het is meer dan jeugdsentiment. Schaatsen is teruggaan naar je wortels. De Elfstedentocht is de culminatie van wat begon op de vaart achter het ouderlijk huis in de Plaspoelpolder. Voor het eerst met de handen op de rug. Als klein jongetje kroop ik met mijn hoofd in de krakende Erres-radio toen Henk van der Grift in 1961 in Göteborg wereldkampioen werd. De namen van de kampioenen uit die tijd – vóór Ard en Keessie – ken ik nog uit het hoofd. Op de middelbare school werd ik lid van de Gooise Hardrijders Vereniging. Later van de studentenschaatsclub US/IJSVU in Amsterdam. Net achttien was ik, toen ik lid werd van de Elfstedenvereniging.

Aan dat alles denk ik bij elke Elfstedentocht. Ook die woensdag 20 februari 1985 toen ik naar Friesland reisde. De volgende ochtend zag ik grote mannen huilen toen we door een haag van duizenden mensen werden toegejuicht langs de kilometer lange route van de starthal naar het ijs. Ook ik voelde de emotie. Rond acht uur ’ s avonds, na ruim veertien uur finishte ik op de Bonkevaart. Uit vrees voor de man met de hamer, die niet kwam, had ik voorzichtig gereden. Al gaf het gerucht, aan het eind van de middag, dat achter ons schaatsers vanwege de opkomende dooi van het ijs werden gehaald, een prikkel meer vaart te maken. Een missie was volbracht.

Een jaar later had ik alle schroom van me afgegooid. Alles was nu bekend terrein. De trainingen op de kunstijsbaan en de opgedane ervaring leverden die 26ste februari 1986 hun volle rendement. Op het Slotermeer herkende ik in de vroege ochtend de stem van Atje Keulen-Deelstra. Ik sloot aan bij haar groepje. Dat gaf moraal. Sneeuw lag er niet. En wind was er niet veel, maar genoeg om droge aarde het ijs op te blazen. Halverwege, ter hoogte van Bolsward, waren mijn schaatsen zo bot dat goed zijwaarts afzetten nauwelijks nog mogelijk was. Een oude Fries was zo vriendelijk mijn schaatsen te slijpen. Gratis. Daarna ging het als vanouds. Op de Ee richting Dokkum kon ik zelfs van het ene naar het andere groepje springen. Heerlijk gevoel. Zweven op zwart ijs. Na ruim tien uur was ik in weer in Leeuwarden. Maar één ding wist ik ook zeker: zo’n goeie Elfstedentocht zou ik nooit meer rijden. Want hoe lang zou de volgende op zich laten wachten?

Dat besefte ik des te meer die vierde januari 1997. Met mijn schaatsmakkers uit de studententijd hadden we ons de avond tevoren zoals gebruikelijk weer volgegeten met pasta. Maar we waren nerveuzer dan anders. Niet alleen omdat we intussen ouder waren geworden. De windverwachting van het KNMI was opgeschroefd van 4 naar 6 beaufort, uit het oosten. Dat betekende vanaf Stavoren tot Dokkum 110 kilometer vrijwel onafgebroken schaatsen tegen een snijdende wind.

Tot Stavoren was, met de wind in de rug, een eitje. Boeren stonden met hun tractoren langs de kant om de route te verlichten. Al bleef het in het duister uitkijken voor scheuren. Af en toe klonken een doffe plof en het snerpen van staal. Bij Woudsend stonden dames met gsm’s om schaatsers gratis naar vrienden of familie te laten bellen – de mobiele telefoon was nog een schaars bezit. Ik maakte er geen gebruik van. Eerst maar eens presteren.

Overleven

Vanaf Stavoren begint het gevecht richting noorden. Met jezelf. En de elementen. Dit is de Elfstedentocht zoals-ie bedoeld is. Dat denk ik zelfs op dat moment. Om te overleven moet je de goeie groep kiezen. Je schaatsslag wordt korter. Gaat een groep te snel, dan klamp je bij een andere aan. In je eentje ben je op den duur reddeloos. De wind is je vijand. De 11 kilometer tot Hindeloopen gaan in 40 minuten. Maar kan ik dit volhouden? Om de afstand psychologisch te verkorten begin ik in etappes te denken: 9 kilometer naar Workum, 13 kilometer naar Bolsward, op de helft van de tocht, dan nog 17 kilometer naar Harlingen.

In Workum zijn de zes bruine boterhammen met honing op en is de voorraad druivensuiker al flink geslonken. Ondanks meerdere kledinglagen voel ik de koude ooster af en toe naar binnen kieren. Voor de enthousiastelingen op de wal heb ik al geen oog meer. In Harlingen, met een maag die rauw aanvoelt, neem ik 20 minuten pauze. Sommige schaatsers pissen langs de kant, bij mij kom het vocht alleen via zweet naar buiten.

Bestuurders van de vereniging – met namen als Wiebe, Oeke en Oeds – waken over het karakter van de tocht

Voor de 13 kilometer naar Franeker, nog zwaarder recht tegen de oostenwind in, heb ik 70 minuten nodig. Om 15.55 uur stempel ik er af. In een EHBO-post laat ik een lastige blaar behandelen om na een kop erwtensoep en een beker thee weer het ijs op te gaan. De snerpende wind lijkt nog sterker. Gaatjes dichtrijden naar een groepje lukt niet meer. Ik val zomaar, kom half overeind, tuimel weer opzij. De krachten zijn ineens weggevloeid. Is dit hongerklop?

In deze noordelijke hel, voorbij Franeker, moet je het verstand op nul zetten, een machine worden die steeds repeterende bewegingen maakt. Maar ik begin te denken, en te rekenen. Voor die 40 kilometer naar Dokkum zou ik op deze manier wel vijf of zes uur nodig hebben.

En dan neem ik een besluit waarvan ik naderhand steeds meer spijt heb gekregen – het was het domste besluit in mijn leven, al klinkt dat misschien wat pathetisch. Het was een moment van mentale zwakte.

Tegen de geest ook van de tocht der tochten, die staat voor pijn durven lijden en volharden. Bij de EHBO-post in Ried stap ik van het ijs. Wanneer ik tegen zessen ’s avonds op tv schaatsers Dokkum zie passeren, overweeg ik nog terug te gaan naar Ried. Ik voelde me al beter en had het moeten doen. Dat van de 16.430 toerrijders nog 5.092 de tocht niet uitreden, biedt zelfs geen schrale troost. Het was de zwaarste tocht sinds die van mijn held Reinier Paping. En ik haalde het niet.

Toch geef ik de hoop op dat derde Elfstedenkruisje – sinds 2012 erkend als officiële Nederlandse onderscheiding – niet op. Klimaatverandering ten spijt. Toen Nobelprijswinnaar Ben Feringa (die de tocht in 1997 uitreed) in een interview onlangs zei „zo’n Nobelprijs is fantastisch hoor, maar dat Elfstedenkruisje…”, klonk dat mogelijk wat overdreven, maar ik snap het. Ook voor hem voert schaatsen terug naar z’n jeugd, boerenzoon tenslotte. De drang weer mee te doen is groot.

De kopgroep schaatst onder het Elfstedenbruggetje door na de stempelpost in Franeker.
Foto ANP
Elfstedentocht 1997. Uiteindelijk winnaar Henk Angenent (links) leidt de kopgroep op weg naar Dokkum.
Foto ANP
Belangstellenden volgen de tocht op een televisie, terwijl de toertocht voorbij trekt.
Foto ANP
Foto ANP/Kippa
Foto ANP/Kippa
Foto ANP/Kippa
Sfeerbeelden Elfstedentocht 1997
Foto’s ANP

Straks met chip in enkelband

De mogelijkheid bij de Elfstedenvereniging om van ‘rijdend lid’ een ‘niet-rijdend’ lid te worden laat ik steeds aan me voorbijgaan. Elke dag dus oefenen op mijn schaatsmat en in de winter geregeld naar het kunstijs voor het goede ijsgevoel. Je moet er altijd klaar voor zijn. Met de serieuze vorst in 2012, bijna een Elfstedentocht, sloeg de schaatskoorts meteen toe: zwart ijs, schrale winterlucht in de Hollandse polder, soms vermengd met de geur van boerderij.

De aard van het schaatsen is sinds Hendrick Avercamp in 1608 zijn ‘Winterlandschap met ijsvermaak’ schilderde, niet wezenlijk veranderd. Ook de Elfstedentocht verandert niet. De commercie heeft er nooit vat op gekregen, niet die mobiele provider in 1997, niet de worstfabrikant met z’n gratis mutsen. De vereniging De Friesche Elf Steden heeft nu weliswaar accounts op Twitter, Facebook en Instagram en de schaatsers krijgen straks allemaal een chip in een enkelband voor ‘crowd control’ (wegens de stijging van het aantal deelnemers tot 24.000) en moeten een helm dragen, maar dat zal het karakter van de tocht niet aantasten.

Zeker niet zolang bestuurders van de vereniging, bewakers van immaterieel erfgoed, vertrouwenwekkende voornamen hebben als Wiebe, Oeke en Oeds. Om met bestuurslid Oeke Mulder, op de ledenvergadering, te spreken: „Wij zijn er klaar voor; lit it no mar frieze!”