Recensie

Diagonalen zijn oké, maar groen is verboden

Als voorspel op vele exposities dit jaar vergelijkt het Stedelijk Museum in Amsterdam Mondriaan en zijn vrienden van De Stijl met latere kunstenaars.

Rood-blauwe stoel van Gerrit Rietveld, ontworpen in 1919 naast Elsworth Kelly’s Blauw-rode schommelstoel (1963). Collectie Stedelijk Museum

Laten we eerst even het grote misverstand uit de weg ruimen. Ja, ze hadden ruzie, maar nee, het kwam niet doordat Theo van Doesburg diagonalen ging schilderen dat Piet Mondriaan hem ontvriendde. Zijn kunst was streng, flauw was hij niet. Alleen, toen na de diagonalen meer verschillen van inzicht volgden, was de boot aan. Mondriaan verliet De Stijl, het tijdschrift en collectief waarvan dit jaar de honderdste verjaardag groots gevierd zal worden.

Theo van Doesburg, Counter-Composition V (1924). Foto Stedelijk Museum

Als prelude heeft het Stedelijk Museum sinds half december een kleine maar fijne De Stijl tentoonstelling ingericht, inclusief diagonaal themazaaltje. Een schilderij van Van Doesburg toont de schuine contouren waarmee hij de dynamiek van de moderne tijd wilde uitdrukken. Dat kon dynamischer, vond tijdgenoot César Domela, wiens diagonalen met golvende lijnen wild sculpturaal uit twee andere werken steken.

En bruggen slaand naar later tijden hing het museum daarbij Sigurdur Gudmundssons fotowerk Study for Horizon uit 1975, waarop de kunstenaar de houding van een scheve paal kopieert. Dat hou je niet lang vol, bewijst Bas Jan Ader met zijn video Broken Fall (Geometric) uit 1971, waarop ook hij schuin gaat staan en omvalt, de bosjes in. „Net goed”, zou Mondriaan vast gedacht hebben.

De Stijl als sausje

De Stijl, je kunt er wel honderd tentoonstellingen over maken. En dat gebeurt ook vast. De groep had zo’n invloed, dat je er als kunstenaar al gauw voor of tegen was (waarom hangt Barnett Newmans Who’s Afraid of Red Yellow and Blue er niet?). De tentoonstelling opent met Calder en Kelly, blauwe en rode en zwarte vlakken. Ook een recent beeld van Isa Genzken is getooid in primaire kleuren – bewust of onbewust, zegt de zaaltekst wat schouderophalend. Ach ja. Schouders ophalen, dat kan prima nu de revolutionaire bezieling van weleer museaal is opgebaard. Dat zorgde in de jaren zeventig al dat De Stijl grappend als verdund decoratief sausje werd opgediend, in interieurcollages van Richard Hamilton of Ger van Elks stilleven van gele bananen – toefje rood erbij, blauw, klaar.

Wie waren de oprichters van de Stijl, en hoe ontstond deze stroming? Bekijk de video:

Tussen die sprongen voorwaarts verhaalt de tentoonstelling ook over de oorspronkelijke ideeën van De Stijl. Over een groot streven naar een vergeestelijkte en universele schoonheid, waarvoor kunstenaars moesten worden verlost van eerzuchtig individualisme. Hopend op een totale harmonie van kunst en leven waren er ook minder bekende bekeerlingen, of kende u Marlow Moss, de ‘uitvinder’ van de dubbele lijn (schilderijen met een zwarte =). En bepaald succesvol was Joost Baljeu, met zijn geometrische buitenbeelden voor politiebureaus en groeigemeentes. Zo bracht hij de gedroomde abstracte schoonheid toch in behoorlijk wat uithoeken van het echte leven.

Links: Bart van der Leck: Compositie (1918). Rechts: Roy Lichtenstein: As I Opened Fire (1964). Foto Stedelijk Museum

En dan zijn er nog de kunstenaars waar Mondriaan minder blij van zou worden. „Bratatatata!”, roept het gestriptekende drieluik van Roy Lichtenstein in, zowaar, primaire kleuren. „Je kunt me altijd met Mondriaan verbinden”, zei de pop-artist eens in een interview, wat ook bijna wat schouderophalend klinkt. Miguel-Ángel Cárdenas blies op zijn beurt De Stijl leven in met mondrianeske composities als een soort kaarsen, die afbranden, of een geometrisch doosje met ritssluiting met daarachter leuke plastic spulletjes. In die vrije interpretaties past ook de ruit door General Idea uit 1994, een bijna net echte Mondriaan, afgezien dan een vlakje dat… groen is. Diagonalen, vooruit, maar groen, dat is bijna vals.