Column

Bert

De dochter (1) had een ontstoken oog. Zij en ik gingen naar de dokter, die uit de la van zijn bureau een popje tevoorschijn toverde waarin ik Bert van Sesamstraat herkende. Ze drukte Bert tegen zich aan alsof het haar beste vriend was. Toen hij in haar oog had gekeken en een recept had uitgeschreven stak de dokter zijn hand uit, maar Bert kwam niet terug.

„Ach hou ook maar”, zei hij goeiig.

„Nee, stopt u hem weer in uw la”, zei ik nog goeiiger terug. Ik probeerde Bert alvast uit haar klauwtjes te trekken, waarna de eerste tranen alweer uit haar ontstoken oogje liepen.

„Ze mag hem echt hebben”, zei de dokter beslist.

Ik had hem kunnen vertellen hoe het met al die andere popjes was afgelopen, maar ik keek wel uit, voor je het wist stond je te boek als een man die zijn dochter geen gelukje gunde.

We wandelden zwaaiend de deur uit.

„Dag dokter!”, riep ik gespeeld enthousiast, „nog bedankt voor de pop.”

Nog geen dertig seconden later smeet ze Bert naar het hoofd van een oudere vrouw in de wachtkamer, die meteen de achtervolging inzette.

„Uw popje… Meneer, hier is het popje.”

We wandelden naar de apotheek schuin tegenover de dokterspraktijk. Ze had Bert vast aan één been en slingerde hem het fietspad op. Vlak voor de wielen van een man die meteen stopte en van zijn fiets sprong om Bert aan haar terug te geven.

In de apotheek brak ze ieders hart door telkens tien stapjes te lopen, ineen te storten, weer op te staan en weer te vallen. Ik las daar tijdens het wachten in een beduimelde glossy een interview met de Volendamse zanger Jan Smit, die zei dat hij, nadat hij thuis van een trap was gevallen, opeens besefte hoezeer zijn kinderen een verrijking waren in zijn leven

Zo is dat Jan, dacht ik terwijl een jongen die kwam voor zalf mij Bert terug kwam brengen.

De rest van de middag werden we achtervolgd door vreemden die ons Bert in de armen drukten.

In de Albert Heijn.

Bij de tramhalte.

Zelfs de buurman die bij de helpdesk van mijn zorgverzekering werkt en die me op oudejaarsavond nog heel nadrukkelijk de hand weigerde, kwam ons achterna toen hij Bert zag liggen.

De dochter knikte telkens vriendelijk bij het terugbrengmoment, om Bert even later weer weg gooien. Ze begon daarna alvast te lachen om al die mensen die bukten en achter ons aan renden. Hoogtepunt was de vrouw die uit haar rolstoel klom om Bert op te rapen en terug te brengen. De dochter lachte haar in het gezicht, de vrouw lachte nogal overdreven mee. Logisch dacht ik later, ze kon weer lopen.