Cultuur

Interview

Interview

Foto Peter Vermaas

‘In Calais leefden we als wilde dieren, hier word ik weer mens’

Vluchteling in Frankrijk Eind oktober ontruimde Frankrijk het tentenkamp in Calais. Meer dan 6.000 migranten gingen naar centra en leegstaande woningen elders in het land. Correspondent Peter Vermaas volgde Haitham, die in het plaatsje Lunéville belandde.

Het is uitgestorven in de straten van het Oost-Franse Lunéville. De 35-jarige Haitham Mohamed uit Soedan, die in oktober na de ontruiming van het kamp in Calais hier terechtkwam, heeft bus 1 vanaf de Leclerc-hypermarché net voor zijn neus zien wegrijden. Pas over drie kwartier komt de volgende. Er passeren wat auto’s, maar niemand loopt op straat. „Soms denk ik dat hier niemand woont”, zegt hij. „Waar zijn al die Fransen?”

Haitham Mohamed (35) uit Soedan. Foto Peter Vermaas

 

Maar dan komt een middelbare dame met een hondje voorbij. Haitham kijkt ongemakkelijk de andere kant uit, zegt niets. In de bus blijkt even later waarom. „Is het waar”, vraagt hij op gedempte toon, „dat het groeten van vrouwen in Frankrijk strafbaar is?”

Zoiets had hij van François begrepen, zegt hij. Dat is de begeleider van de tien migranten uit Calais hier in Lunéville en een buurgemeente, legt hij uit. Vrouwen zijn de baas, zou François gezegd hebben. En François heeft volgens Haitham ook verteld dat Fransen niet van herrie houden. Dat je niet te hard moet praten, maar dat je wel tegen de buren ‘bonjour’ moet zeggen. „Wat nu als de buurman een vrouw is?”, vraagt hij.

„Ik wil me graag aanpassen, ik probeer te begrijpen wat hier gebeurt. Dit is mijn nieuwe land.”

Rolkoffertje

Haitham zag ik voor het eerst in Calais. Op maandag 24 oktober, om 6 uur ’s ochtends, stond hij met een groepje Soedanese vrienden uit de ‘jungle’ kleumend voor in de rij bij de hangar waar de migranten uit het modderkamp zich konden melden voor een plek in een touringcar naar fatsoenlijke opvang in de provincie. Vlak voor de winter weer zou beginnen, wilde Frankrijk van het steeds verder beschamende kamp af. Dat er in Frankrijk verkiezingen aankwamen, speelde ook een rol.

Niemand hoefde Haitham over te halen de ‘jungle’ te verlaten, schreef ik die ochtend nadat ik de wat atypische vluchteling met zijn meekleurende bril en rolkoffertje gesproken had. „Iedere nacht die je daar doorbrengt, word je een jaar ouder”, had hij in vloeiend Engels gezegd. „Wie zegt dat hij in die rotzooi wil blijven, die liegt.”

Dat hij er zelf belandde, was een lang verhaal – te lang voor het stukje op de voorpagina van de krant. Anders dan de meeste andere migranten in Calais was hij namelijk nooit van plan geweest om als verstekeling naar het Verenigd Koninkrijk te gaan, zei hij. Maar door alle internationale aandacht was Calais nu eenmaal de beste plek om een asielprocedure te beginnen. Daar kreeg je „een voorkeursbehandeling”.

Lees hier het verhaal dat Peter Vermaas in oktober schreef: Kansrijken staan vooraan bij vertrek uit ‘jungle’ van Calais

Vanuit de rij mocht Haitham die maandag na een paar uur wachten de hangar in. Journalisten waren daar niet welkom. Maar ’s avonds laat ontving ik een appje: „Hello my friend”. Hij had acht uur in een bus gezeten, liet hij weten, en was nu „in the north of France”. Waar precies, dat was hem nog niet duidelijk. „It’s a really nice city and nice people”, appte Haitham. „Great to be here.” De weken daarna ontving ik af en toe felle video-aanklachten tegen de dictatoriale Soedanese president Omar al-Bashir, die hij zei ontvlucht te zijn. En een uitnodiging om eens langs te komen.

Als ik hem vlak voor Kerst aan de formicatafel in een vrijwel leeg appartement in Lunéville zijn citaten uit Calais voorlees, knikt hij instemmend. „Klopt allemaal”, zegt Haitham. „Ik heb in mijn leven nooit op zo’n vreselijke plek gewoond als in Calais”, zegt hij. De viezigheid, het gebrek aan privacy, het gevecht om voedsel en de nachtelijke overvallen en vechtpartijen blijven hem het meest bij. „We leefden als wilde dieren”, zegt hij.

„Ik heb nooit geweten dat zoiets in Europa bestond.”

Weer mens

Hier in de Franse provincie is hij zich weer mens gaan voelen. „Ik had geen idee waar we uit zouden komen. We kregen in die hangar de keuze tussen twee plekken en ik koos de plek die het verst van Calais en het verst van Italië lag”, zegt hij. De ontvangst was allerhartelijks. „De big chief was er ’s avonds laat met koffie en thee om ons welkom te heten.” Wie dat was? „Ik denk de burgemeester.” En hoewel een dag later een gemeenteraadslid van het Front National verklaarde dat de verspreiding van migranten over Frankrijk een „kanker” was die „uitzaaide”, heeft Haitham hier tot nu toe louter aardige, behulpzame en gastvrije Fransen ontmoet, verzekert hij.

Het appartement deelt hij met drie van zijn in Calais opgedane Soedanese vrienden die destijds al met hem in de rij stonden. Ieder heeft een eigen kamer met een bed, een bureautje en een klerenkast. Er is een gemeenschappelijke huiskamer met een eettafel, een ietwat spartaanse ogende bank en een televisietje dat François – volgens Haitham van zijn eigen geld – als cadeau heeft meegebracht. Huisgenoten Awad en Yosif zitten, beiden in capuchontrui en met korte broek, gebiologeerd naar een talkshow op een vrouwenzender te kijken. Een man met baard en rode baret vertelt dat hij zich nooit wast. „Ik versta helemaal niets”, zegt Awad. Engelstalige zenders zijn er niet.

„Ik kijk maar gewoon. Televisie is leerzaam.”

Haitham Mohamed en zijn huisgenoten, eveneens uit Soedan. Foto Peter Vermaas

 

Ieder heeft een ander verhaal. „Veel mensen komen om economische redenen”, zegt Haitham. „Ik niet.” Als je hem hoort praten over zijn huis, auto en eigen bedrijf in Khartoum („een reisbureau”), dan krijg je de indruk dat hij er warmpjes bijzat. Toen hij zijn opleiding farmacie bijna voltooid had, vertelt hij, werd hij van school gezet omdat hij weigerde zich bij president Bashirs autoritaire National Congress aan te sluiten. „Dat wilde ik niet.”

Op zijn telefoon laat hij foto’s zien van zijn paars gebutste rug. Hij heeft verscheidene keren vastgezeten en is „gemarteld”, zegt hij. „Ik kreeg een waarschuwing van de mannen van Bashir: je komt bij ons of je gaat dood. Toen ben ik gevlucht.”

Dat was op 13 juni 2016. Om één uur ’s nachts heeft hij zijn vrouw en twee jonge kinderen in Khartoum achtergelaten. Hij liet zich afzetten bij de grens met Egypte, nam daar een trein richting Kaïro en Alexandrië en zocht daar contact met mensensmokkelaars die hem voor 2.500 dollar („inclusief maaltijden”) naar Calabria in Italië bracht. „De kapitein zei dat we met 356 mensen waren en dat we niet mochten bewegen omdat dan problemen zouden ontstaan. Weet je hoe dat er uitziet, 356 kotsende mensen in het ruim van een vissersboot?

In Italië moest hij zijn vingerafdrukken geven. „Ik zei nog: ik wil hier geen asiel aanvragen. Maar ze vertelden me dat dat alleen was om te checken of ik geen terrorist was.” Dat bleek later iets anders te liggen. Hij was ‘dubliné’, zoals dat in Calais heette: volgens het Verdrag van Dublin moet je asiel aanvragen in het EU-land waar je aan wal komt. „Maar ik wilde niet naar Italië. Daar heb je hoge werkloosheid, daar leven migranten op straat. Ik wil iets van mijn leven maken en ik dacht dat Frankrijk daar geschikt voor was.”

Na een paar dagen vertrok hij uit het opvangcentrum. Naar eigen zeggen „glimlachend naar politieagenten” wandelde hij zonder paspoort de grens over. „Je moet zelfverzekerd overkomen”, zegt hij. „En er vooral niet als een migrant uitzien.” Na twee weken Parijs („het centrum van de wereld”) trok hij door naar Calais, waar hij bijna drie maanden in het modderkamp zat voor de ontruiming begon.

Hier gebeurt helemaal niets

Nu zit hij in Lunéville. Niets te doen. „Er gebeurt hier helemaal niets”, zegt hij over het stadje van 25.000 inwoners op dertig kilometer van Nancy. De tien Soedanezen wonen zelfstandig, verdeeld over drie ruime maar oude appartementen in vervallen blokkendozen. Ze hebben in Nancy een medische controle gehad en ze zijn nu allemaal hun „Calais-hoest” kwijt, zegt Haitham.

Maandelijks krijgen ze cheques waarvan ze bij de supermarkt van Leclerc even verderop boodschappen kunnen doen. Ze eten gezamenlijk om geld uit te sparen. Eens per week hebben ze Franse les. „Ik heb de indruk dat de Fransen gehecht zijn aan hun taal”, zegt Haitham. Maar verder moeten ze vooral wachten. Tot 4 januari, de dag dat ze bij de prefectuur in Metz een asielaanvraag kunnen doen.

Maandelijks krijgen Haitham en zijn huisgenoten cheques waarvan ze bij de supermarkt Leclerc boodschappen kunnen doen. Het is alleen lastig om de juiste kruiden te vinden nu ze nog niet kunnen lezen wat er op de potjes staat.
Foto Peter Vermaas

Deze mistige decemberochtend zijn de rolluiken van het appartement op de vijfde etage nog potdicht. „Die gaan alleen open als de zon schijnt”, zegt Haitham. Aan de plafonds hangen peertjes. De centrale verwarming staat afgesteld op Soedanese temperaturen. Met mobiele telefoons is af en toe contact met het thuisfront in Soedan. „Ik heb mijn vrouw eerlijk verteld hoe het allemaal gegaan is”, zegt Haitham. „Ze steunt me, maar we missen elkaar. Ik zou willen dat zij en de kinderen snel hier naartoe kwamen en we een nieuw leven kunnen opbouwen.”

Met Awad wandelt hij aan het begin van de middag door de waterkou naar de Leclerc. „Iemand heeft ons verteld dat je in deze regio sneeuw kunt krijgen. Daarom moeten we altijd voorraden in huis hebben”, zegt hij. We passeren het station, wandelen door het oude stadscentrum langs het oude kasteel. „Prachtig”, zegt Haitham.

„Dit is echt het oude Europa. Maar ik heb het nog niet durven bezoeken. François zegt dat we ons een beetje rustig moeten houden.”

Bij de supermarkt gaat een familieverpakking van vijftien baguettes in het karretje. Haitham pakt een enorme hoeveelheid eieren, tomaten en een zak groene pepers, terwijl Awad zoekt naar een nieuwe zwabber om het appartement te poetsen. Het is lastig om de juiste kruiden te vinden als je niet kunt lezen wat er op de potjes staat, zegt Haitham. Zo is hij ook al een paar keer met flessen shampoo en douchegel thuisgekomen, terwijl hij iets zocht om zijn door de kou uitgedroogde huid in te vetten. „Ik klaag niet” hoor, zegt hij verontschuldigend. „Ik moet gewoon zo snel mogelijk Frans leren.”

Waarom, vraag ik als we met eco-boodschappentassen bij de bushalte staan, heeft hij eigenlijk voor Europa gekozen? Als kind heeft hij in Dubai gewoond, waar zijn vader voor een ministerie werkte. Hij heeft een deel van zijn farmaciestudie in India gedaan, vertelde hij eerder. Haitham kijkt me vragend aan. „Dat is logisch”, zegt hij. „Op school leerden we dat Europa een hele grote oorlog heeft gehad en dat ze daarvan geleerd hebben. Toen zijn ze in Europa mensenrechten gaan respecteren en hebben ze democratie ingesteld. Als je als mens behandeld wil worden, dan zijn er niet zoveel plaatsen waar je heen kunt.