Column

Het Trumpgevoel van slager Jack Verbij

Levende beesten die naar de slacht worden gebracht, dat vindt Jack Verbij (61) – „zeg maar Sjaak” – geen prettig gezicht. In het abattoir zul je hem niet snel treffen. Maar een mooie voor- of achtervoet – een kwart van een geslacht rund – daar kijkt hij graag naar. „Moet je dat vetrandje zien”, zegt hij, met de punt van zijn mes naar de slip van de lende wijzend. Of: „Moet je voelen hoe zacht”, terwijl hij een uitgesneden longhaas in mijn handen legt. Longhaas is een deel van het middenrif. Bakken als biefstuk.

Vorige week beschreef ik al hoe ik in alle vroegte met hem in zijn koelwagentje meegereden was naar het Food Center in Amsterdam, waar hij zes dagen in de week als een van de laatste slagers in Amsterdam en omgeving zelf zijn vlees komt uitzoeken. Nu sta ik om half acht ’s morgens naast hem aan het hakblok in zijn winkel, Slagerij Zuid op de Albert Cuypmarkt, en kijk hoe hij van de vanglap een stapel stooflappen snijdt. Een van de hulpslagers, een Ghanees, vlijt ze op een schaal en zet ze in de vitrine, naast een stel kalfslongen, een stuk pens en vier botten, de heupkom er nog aan vast.

De andere hulpslager, ook een Ghanees, rijdt intussen een kar vol speenvarkens naar binnen, biggetjes nog, bleekroze, compleet met snuit en krulstaart. „Later op de dag moet je daar niet mee over de markt lopen”, zegt Jack Verbij. „Mensen gaan gillen.” Maar niet zijn Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse klanten. „Ze weten me uit heel Europa te vinden.”

Hij schopt tegen de denkbeeldige billen van een klein kind. „En nou opsodemieteren, jij.” Zo heeft zijn vader hem opgevoed. Die was ook slager, op de Postjesweg in West. Hij stierf aan een hartstilstand toen Sjakie veertien was. „Ik was er helemaal kapot van. Ik kon er niet mee omgaan.”

En dat uitte hij door zich te misdragen. Hij moest van school en daarna: gokken, vrouwen. Tot hij deze slagerij begon. Sindsdien staat hij alle ochtenden met plezier om vijf uur op om tot in de avond te werken. En niet voor het geld, hè. Als hij 1.800 netto in de maand verdient, dan is het veel. Hij doet het omdat het zijn lust en zijn leven is. „Ik ben een bevoorrecht mens.”

Nu zijn probleem. Het abattoir in Amsterdam gaat dit jaar weg, dat moet van de gemeente. Er komen woningen voor in de plaats. De vleesverwerkers rondom het abattoir gaan dus ook weg.

Waar moet Jack Verbij voortaan zijn voor- en achtervoeten gaan halen? Zijn longen en zijn pens en zijn staartstukken? Hij heeft geen idee, hij wordt er helemaal radeloos van. Nu denkt hij dus: hadden we in Nederland ook maar een Trump. „Hij brult wel hard, maar hij ziet de dingen goed. Hij zou nooit toelaten dat een man als ik kapot wordt gemaakt.”

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt Jutta Chorus in de wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.