Column

Het beste voornemen

Je krantenbezorger blijkt pas een mens van vlees en bloed als hij je een gelukkig nieuwjaar komt wensen. Op de andere dagen van het jaar is zijn enige stem die van de klepperende brievenbus. Maar nu verrijst hij aan de deur opeens voor je, als een geest die aan het dodenrijk is ontsnapt.

Decent overhandigt hij je zijn kaartje van de krant. Ik stel me weleens voor hoe een tijdelijke bewoner van je huis, een niet ingewijde buitenlandse vriend, eventueel een Syrische vluchteling, zo’n kaartje verbaasd in ontvangst neemt, de groet mompelend beantwoordt en zich schielijk terugtrekt achter de voordeur, de bezorger achterlatend met pijnlijk lege handen.

Omdat ik nogal wat kranten lees, heb ik twee bezorgers die onafhankelijk van elkaar hun jaarlijkse gratificatie komen innen. De eerste, een lichtgetinte man van in de dertig, meldde zich ’s morgens toen de dag nog op gang moest komen. Ik complimenteerde hem met de stiptheid waarmee hij zijn kranten in alle vroegte bezorgde. ,,U bent onze wekker’’, zei ik.

Hij vond het een dubieus compliment, want hij reageerde haastig: ,,Als u wat rubbertjes op de klep zet, hoort u mij niet.’’

,,Nee, zo is het juist goed’’, zei ik, en ik begon over de stedelijke stilte waarin hij altijd zijn werk doet: ,,Dat moet prettig zijn in de anders zo drukke stad.’’

„Ik vind dat zó mooi”, zei hij, bijna dankbaar, „ik geniet daar nog steeds van.” Hij keek me nadenkend aan en vroeg met een lichte aarzeling: „Kent u dat lied van Stef Bos over de stilte?”

Ik schudde het onwetende hoofd. Hij opende zijn mond, deed een stapje achteruit en begon uit volle borst te zingen: Niets is sterker/ Dan de stilte/ Niets heeft zoveel kracht/ Als het zwijgen van de nacht/ Niets is sterker/ Dan de stilte/ Niets is sterker dan het woord/ Dat niemand hoort/ Neem voorschot op de dood/ Voel de stilte om je heen/ Wie de zwijgzaamheid verdragen kan/ Voelt zich nooit alleen.

Ik wilde al applaudisseren toen hij er nóg een couplet uitgooide: Kom hier bij me, hou me vast/ En vraag niet wat ik voel/ Woorden zeggen veel te vaak/ wat ik niet bedoel.

Hij moest even op adem komen voor hij kon vragen: „Is dat niet mooi?’’ Ik beaamde het geïmponeerd, waarna hij me de hand drukte, zijn geld – nu een soort gage - in ontvangst nam en naar zijn fiets liep om in de ochtendmist te verdwijnen.

Ik was nog niet helemaal bekomen van deze boeiende ervaring toen de tweede bezorger zich al aandiende. Hij was duidelijk ouder en zakelijker dan zijn collega. Hij inde het geld, zette op een lijstje een cirkeltje om mijn adres en begon een praatje dat uitmondde in een litanie van klachten over zijn werk.

„Weet u dat ik níet doorbetaald krijg als ik ziek ben?” vroeg hij.

Verzekeringen kon hij niet betalen, van pensioen was geen sprake, kortom, hij snakte naar de vaste baan die hij ooit gehad had en die hem door een bezuinigingsgolf was ontnomen. Ik begon mij al luisterend, de lamme armen langs het lichaam, diep te schamen voor mijn luxeleventje als krantenschrijver in plaats van krantenbezorger.

Ook al was het een onmogelijke opgave, en zeker voor een columnist, ik besefte dat mijn beste voornemen voor het nieuwe jaar moest luiden: nooit meer klagen.