Recensie

Alles draait om ‘ik’

David Nolens

De vijfde roman van de Vlaamse schrijver David Nolens is een prettig onmodieus boek, waarin de veranderlijkheid van het ‘ik’ wordt uitgediept. Wat komt er kijken bij de opdracht mens te zijn?

Foto Dan Porges/ Getty Images

Er staat een dikke, vette streep door de naam van de auteur van De waan van Cotard. Niet op het omslag, daar mag het blijkbaar nog wel staan, maar eenmaal binnenin, op het titelblad, is de naam David Nolens doorgehaald. Een onschuldig gebbetje of schaart Nolens zich in zijn vijfde roman daarmee achter zijn personages, die stuk voor stuk gebukt gaan onder de vraag wie zij eigenlijk zijn, wie toch diegene is of geacht wordt te zijn die met hun naam wordt aangesproken?

Het woord identiteit valt in onze tijd vaak als het over een gemeenschapsvraagstuk gaat (neem Máxima’s ‘De Nederlander bestaat niet’), maar in dit literaire werk wordt het allerindividueelst benaderd; er klinkt, zoals er wel meer literatuur in deze roman doorklinkt, het uitgangspunt in door van het ‘veranderlijke’ ik.

Thematiek van gelijke strekking is te vinden bij de vader van David Nolens (1973), de Vlaamse dichter Leonard Nolens (1947). Toen hij in 2012 in deze krant geïnterviewd werd omdat aan hem de Prijs der Nederlandse Letteren was toegekend, zei hij onder meer dat hij ‘ik’ een prachtig woord vond. „Het gaat er maar om hoe je het gebruikt. Er vindt al transpositie plaats op het moment dat je het op papier zet. De vraag luidt: wat is dat zelf? Voor mij is dat zo veel tegelijkertijd. Als je nu met Nolens praat, praat je ook met zijn ouders, de boeken die hij las, zijn vrienden. Veel van wat ik nu zeg wordt mij in feite gedicteerd door de buitenwereld.” Mocht David Nolens inderdaad ook zélf twijfelen aan wie hij is, dan kan op dit punt in elk geval geconstateerd worden dat hij een zoon van zijn vader is, want net als senior is hij geïntrigeerd door dat ik-vraagstuk. Hij heeft dat in de roman in viervoud uitgewerkt: we volgen het liefdespaar Jean en Anna, hun huisvriend Jack en een broze, aan de zelfkant levende transgender die vroeger Nassim heette, maar die nu als Nassima door het leven gaat. Jean krijgt de meeste aandacht van Nolens.

Deze man van middelbare leeftijd wordt op een zekere dag genadeloos terug in de tijd geslingerd, naar het moment waarop hij als vijftienjarige, zittend in het wiskundelokaal, uit zichzelf viel. Jean treedt als het ware uit zichzelf, ziet zichzelf en de andere leerlingen daar zitten en realiseert zich dat hij niets van zichzelf kan benoemen dat ‘eigen’ is.

Hopeloze handpop

Dat ogenblik luidt een ontwrichte periode in, waarbij hij eerst over straat zwerft en daarna liefdevol wordt opgenomen door een pleeggezin. Het kwaad is echter geschied: Jean ziet louter nog constructies in bindende woorden als gezin, man of dat ‘ik’. De relatie met Anna was lange tijd een rookgordijn voor zijn leegte: ‘Hij liet Anna toe als de hand in de pop die hij was en dat was twaalf jaar lang voldoende geweest.’ Nolens laat Anna’s eigen identiteitsvraagstuk draaien om haar kinderwens: als een bodysnatcher klimt ze op de verzwakte Jean, om hem zijn zaad afhandig te maken.

Het is niet vrolijk allemaal, maar Nolens bezit de finesse om het verteerbaar op te dienen: korte hoofdstukken en een stijl die een grote tederheid in zich draagt. Dit komt het best tot uiting in de hoofdstukken over Nassima, de in Jacks ogen hoogst aantrekkelijke transgender die er – ze lijkt Prince wel – de paradoxale wens op nahoudt om én in de spotlights te staan én onzichtbaar te zijn. Ze is in Nolens’ handen een engel, hoe sterfelijk ze ook wezen mag.

Een heel sterk boek dus. Enige waar ik moeite mee had was dat Nolens soms zijn indringende beschrijvingen van wat er komt kijken bij ‘mens zij’, inruilt voor (te) filosofische, theoretische uiteenzettingen. Onmodieuze literatuur ook, eerder steunend op een traditie waarin men benieuwder was (Kafka, Dostojevski, de existentialisten) naar de rijkdom en weke delen van het particuliere bewustzijn dan naar de vraag hoe zwaar een willekeurig lid van een achtergestelde sociale ‘groep’ het heeft. Nolens herinnert ons krachtig aan een rijk reservoir waar menig contemporain schrijver domweg aan voorbijrent.