In het Nederland van na de verkiezingen is het altijd zomer

Tweede Kamerverkiezingen Op 15 maart zijn de Tweede Kamerverkiezingen. Voor welk Nederland stemmen wij eigenlijk? En wat is de rode lijn in de verkiezingsprogramma’s?

De Hofvijver bij het Binnenhof. Foto ANP / Lex van Lieshout

In het Nederland van na 15 maart, van na de Tweede Kamerverkiezingen, is het altijd zomer. Tenminste, als je afgaat op de foto’s in de verschillende partijprogramma’s. Nederland is daar een fietsland, en iedereen lacht. Nederland is een land waar een dansende robot ouderen opvrolijkt (D66), of waar vaders en zonen koekjes bakken (GroenLinks). Waar artsen stethoscopen dragen, agenten te paard zitten en zonnepanelen worden geïnstalleerd.

Maar wat als je de programma’s gaat lezen? Van het ene A4’tje van de PVV tot de 237 pagina’s van D66? Welk Nederland staat ons ongeacht koopkrachtplaatjes, doorrekeningen, formatieonderhandelingen, en vooral verkiezingsresultaten en coalitieonderhandelingen te wachten? Is er één toekomstvisie, één rode lijn te ontdekken?

Alle partijen vinden dat er iets moet veranderen. Er wordt ontevredenheid gesignaleerd onder de burger, een gevoel van onzekerheid, toenemende tweedeling. Zelfs de VVD, wier toon van alle partijen het meest opgewekt is en die een boodschap heeft voor de „optimistische en nuchtere Nederlander die van aanpakken weet”, schrijft dat „problemen en bedreigingen” op de loer liggen.

„Wij zijn de eersten die ons zorgen maken of onze kinderen het beter zullen krijgen dan wij, zowel in materiële als in immateriële zin”, schrijft de Partij voor de Dieren. Het is een zin die in alle programma’s had kunnen voorkomen.

De oorzaak van die zorgen wordt gezocht in de financiële crisis en grote (technologische) veranderingen. Of in het geval van de PVV in „de islamisering”. Voor de andere partijen is de wereld op drift, en is Nederland onderwijl meer ‘ik’ dan ‘wij’ geworden.

Er zou onder de Nederlanders onvoldoende besef zijn wat de gedeelde waarden zijn. En zowel Denk als Voor Nederland (VNL) vindt dat Nederland vastzit in het verleden en vooruit moet.

De oplossing komt voor bijna alle partijen – uitgezonderd PVV en VNL – op hetzelfde neer, al gebruiken zij iets andere woorden. De VVD wil dat „Nederland ontspannen met verschillen leert om te gaan”. Dat heet bij anderen „zoeken naar wat ons bindt” (PvdA), „geen hokjes- of vakjesdenken” (Denk), „rekening houden met een ander” (SP), of „meedoen en naar elkaar omzien” (CDA).

Vier belangrijke thema’s:

1. Immigratie & integratie

Uit de verkiezingsprogramma’s komt natuurlijk niet één blauwdruk naar voren. Als het gaat om immigratie en integratie, zeker een thema tijdens de verkiezingen, zijn globaal al twee Nederlanden te ontdekken.

Het Nederland van de PVV met „nul asielzoekers”, waar reeds verleende verblijfsvergunningen worden ingetrokken. En het Nederland waar men – in de woorden van het CDA – schippert tussen „de behoefte aan barmhartigheid en de begrijpelijke zorgen over de aantallen, de opvang en integratie”.

De andere partijen bepleiten een strenger asielbeleid, willen (meer) opvang in de regio en een goede verdeling van het aantal asielzoekers over Europa. En zijn asielzoekers eenmaal hier, dan moeten zij zo snel mogelijk uitsluitsel krijgen over hun verblijfsstatus. De Vrijzinnige Partij geeft de overheid drie jaar, de Partij voor de Dieren heeft het over twee jaar, en GroenLinks wil helemaal snelheid in de procedure: na één jaar moet een asielzoeker weten waar hij aan toe is.

De opvang moet volgens de meeste partijen kleinschalig worden, waarbij naar de omvang van een dorp of stad wordt gekeken. Denk bepleit daarbij „slimmer gebruik van leegstaande woningen”. Er staan 160.000 woningen in Nederland leeg, bleek vorig jaar uit een schatting van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Twee Nederlanden zijn er ook als je naar integratie kijkt: tussen partijen die de „creativiteit en dynamiek” roemen die is ontstaan door de komst van verschillende culturen (Denk), en partijen die vrezen voor het uithollen van „onze waarden”, en proeven dat de burger zich zorgen maakt over hoe wij in Nederland met elkaar omgaan (de rest).

De Nederlandse taal is voor die partijen van belang – al is een immigrant volgens de Vrijzinnige Partij ook geïntegreerd als hij het Fries beheerst. Maar moeten nieuwe Nederlanders daarnaast het Wilhelmus (SGP, CDA) kennen, of trouw zweren aan de Grondwet (50Plus)? Of is het voldoende dat zij „een hart ontwikkelen voor Nederland” (ChristenUnie)? De VVD schrijft: „Als je onze vrijheden omarmt, dan hoor je er gewoon bij. Dan word je een onderdeel van ons, van Nederland.”

Volgens D66 hoef je dan je oorspronkelijke nationaliteit niet op te geven. Volgens het CDA en 50Plus weer wel. De PVV wil een verbod op hoofddoekjes in publieke functies, een verbod op de koran en wil dat alle moskeeën en islamitische scholen dichtgaan. VNL is coulanter: alleen moskeeën waar opgeroepen wordt tot geweld moeten dicht, en gezichtsbedekkende kleding wordt in publieke ruimten verboden. Ook de VVD wil dat in alle openbare ruimten verbieden.

De SGP – warm pleitbezorger van een samenleving waarin christelijke tradities centraal staan – waarschuwt dat „eenheidsworst” ook weer niet de bedoeling is. Nieuwkomers moeten niet „heel onze cultuur indrinken en kopiëren”. Want: „Er zijn genoeg praktijken waar wij ons voor moeten schamen”, zegt zij. Blootreclames bijvoorbeeld.

2. Gezondheidszorg

Als het om de zorg gaat, is er meer eenduidigheid dan bij immigratie. Want houdt er nog één partij van het huidige zorgstelsel? D66 en VVD noemen het weliswaar „een van de beste ter wereld”. Maar ook zij signaleren „bureaucratische trekjes”. Dat heet bij andere partijen: de menselijke maat is zoek, de patiënt staat niet centraal, of er moeten meer handen aan het bed. „Zorg is natuurlijk kostbaar, maar wordt nu te veel als een kostenpost benaderd”, schrijft Denk.

Alleen wat doe je daaraan? Moeten de bezuinigingen worden teruggedraaid (PVV), moeten verzekeraars opereren als nutsbedrijf (Vrijzinnige Partij, PvdA), moet er minder marktwerking zijn (ChristenUnie) of moet er maar helemaal een einde komen aan marktwerking in de zorg met een nationaal zorgfonds (SP, 50Plus, Partij voor de Dieren)? Of ligt de oplossing in minder regels (SGP, VVD) en artsen die betaald worden naar kwaliteit en niet naar uren?

D66 ziet een soort kijk- en luistergeld voor artsen voor zich: dat zou de „perverse prikkel” om diagnoses te stellen, ontmoedigen. Over het eigen risico ontstaan ook drie kampen: laten op minstens 385 euro per jaar, afschaffen of verlagen. Met „maar liefst 50 euro” bij VNL tot 200 euro bij 50Plus. Of wellicht bieden CDA en ChristenUnie meer korting met hun „fors verlagen”.

3. AOW & pensioenen

Naast de zorg is er bij de verzorgingsstaat nog een heikel punt waarover zeker tijdens de campagne strijd gevoerd zal worden: de AOW-leeftijd. Nederland wordt ouder: moet de leeftijd waarop wij met pensioen gaan omhoog?

Nee, zeggen PVV en 50Plus: de pensioenleeftijd wordt weer gewoon 65 jaar. Houd vast aan 67 jaar in 2021, zeggen VNL en Denk. Wees flexibel, zeggen de meeste andere partijen. Wie wil, mag eerder met pensioen. En sparen voor en opnemen van dat pensioen mag van de meeste partijen ook flexibeler.

Maar op de vraag waar we met onze verzorgingsstaat heengaan, geeft geen van de partijen een antwoord. Is de collectiviteitsgedachte aan haar einde gekomen? Is dat pensioen, is die zorg, er nog voor volgende generaties?

4. Het klimaat

Het belang van de volgende generatie wordt wel gezien als het over het klimaat gaat. „Het is van levensbelang, ook voor onszelf en de volgende generaties, om in de komende jaren de juiste beslissingen te nemen waar het gaat om klimaat, energie en ecologie”, schrijft de PvdA.

Opnieuw is er een keuze tussen twee Nederlanden, als het summiere „geen geld naar windmolens” van de PVV althans kan worden gelezen als een pleidooi tegen álle duurzame energie. De rest, ook VNL, streeft wel naar een einde van fossiele brandstoffen. Al is men, net als bij het terugdringen van de uitstoot van CO2, het niet eens over het tempo waarin dat moet gebeuren.

5. De onzekere burger

Als je alle slogans voorop de verkiezingsprogramma’s aan elkaar verbindt, dan wordt Nederland na 15 maart „een verbonden samenleving” (PvdA), waar we „hoopvol realistisch” zijn (ChristenUnie), „vasthouden aan onze idealen” (Partij voor de Dieren), de „daad bij het woord” voegen (SGP) en waar „kansen voor iedereen” (D66) zijn. „Denkend aan Nederland” (Denk) maken we na maart „keuzes” (CDA) „voor Nederland” (VNL), zijn „nu wij” (SP) aan bod, is het „tijd voor verandering” (GroenLinks), moeten we „de basics fixen” (Vrijzinnige Partij) om een „zeker Nederland” (VVD) te krijgen dat „weer van ons” is (PVV). „Omdat ouderen het niet meer pikken” (50Plus).

De grote vraag is of dat de onzekere burger genoeg perspectief biedt.