Recensie

De schone schijn van Berlijn

Non-fictie

Hitler wilde een schitterend beeld verspreiden van Berlijn in 1936. Oliver Hilmes toont de stad achter het bedrog.

‘De eer van een volk hangt ervan af,’ schreef Victor Klemperer op 13 augustus 1936 in zijn dagboek, ‘of een volksgenoot 10 centimeter hoger springt dan alle anderen.’ De Duitse schrijver en romanist, het jaar daarvoor als hoogleraar ontslagen wegens zijn joodse afkomst, gruwde van de in zijn land georganiseerde Olympische Spelen. De overwaardering van sport, die hij ook in andere landen aantrof, ging in Hitler-Duitsland gepaard met minachting van de geest.

Het ergste vond Klemperer dat tienduizenden buitenlandse gasten tijdens de Spelen een vals beeld van Duitsland kregen voorgeschoteld. Om de vreedzame intenties van het Derde Rijk uit te dragen had de overheid zelfs de lastercampagne tegen de joden tijdelijk opgeheven. Nergens was een bord met ‘Juden verboten’ te bekennen en uit de cafés klonk vrolijke swing en jazz, de muziek van zwart Amerika. Berlijn leek een internationaal georiënteerde stad in feeststemming, maar lag, zoals Klemperer besefte, krachten te vergaren voor een greep naar de wereldheerschappij.

Het beroemde dagboek van Victor Klemperer (1881-1960) is slechts een van de vele bronnen die de Duitse schrijver Oliver Hilmes gebruikt om de zomer van 1936 in Berlijn te schetsen, de zomer die in het teken van de Olympische Spelen stond. Het alwetende gezichtspunt van de klassieke geschiedschrijver is in Berlijn 1936 niet helemaal afwezig, maar Hilmes (1971) legt het perspectief zoveel mogelijk bij degenen die de bewuste zomer aan den lijve meemaakten, zowel de historische hoofdrolspelers als de figuranten. Van deze ooggetuigen schetst hij korte portretten, die hij, doorspekt met politie- en weerberichten, in de vorm van een collage presenteert; nachtclubeigenaren, travestieten, atleten en nazi-kopstukken staan zo op gelijke hoogte.

Affaire

De auteur probeert in de eerste plaats een meeslepend verhaal te vertellen, onder meer door zich te richten op het persoonlijke leven van zijn personages – zo lijdt Joseph Goebbels, de nazi-minister van Propaganda, onder het feit dat zijn vrouw een affaire heeft.

Ook de manier waarop Hilmes spanningsopbouw nastreeft, maakt dat we van literaire non-fictie moeten spreken, al staat hij zichzelf minder vrijheid toe dan veel andere auteurs in het genre. Zijn gewoonte om zelfs de kleinste uitlating van zijn personages onmiddellijk in een noot te verantwoorden, heeft het voordeel van historische punctualiteit, maar het nadeel dat de lezer zich bij onschuldige observaties waarvan de auteur geen rekenschap aflegt, onwillekeurig afvraagt: hoe wéét hij dat? Zo zit de historicus de verhalenverteller soms in de weg; maar omdat Hilmes, gevierd biograaf van Alma Mahler en Cosima Wagner, over een pakkende stijl beschikt, is dat geen groot bezwaar.

In Berlijn 1936 leven we mee met onder anderen de eigenaar van een door hoge nazi’s gefrequenteerde nachtclub, wiens geheim is dat hij jood is; met Helene Mayer, de halfjoodse speerwerpster die voor Duitsland zilver wint en bij de huldiging de Hitlergroet brengt; met een tienjarig meisje dat vlak voor de Spelen in een operatie ‘ter bestrijding van de zigeunerplaag’ naar een kamp wordt gedeporteerd; en natuurlijk met Jesse Owens, de onbetwiste sportheld van die zomer, van wie Hitler zegt: ‘De Amerikanen moesten zich schamen dat ze hun medailles door negers laten winnen.’ En we lezen over de rivaliteit tussen Goebbels en Göring, die elkaar met luisterrijke feesten voor de internationale gasten proberen te overtreffen.

Een terugkerend personage in het boek is de Amerikaanse schrijver en journalist Thomas Wolfe (1900-1938), een liefhebber van Duitsland in het algemeen en het bruisende Berlijnse nachtleven in het bijzonder. Zijn boeken, uitgegeven door de legendarische Ernst Rowohlt, doen het in die tijd zeer goed in vertaling. Geleidelijk dringt het tot Wolfe door dat de nationaal-socialisten het land met hun denkbeelden vergiftigen, wat hij het Amerikaanse publiek na thuiskomst duidelijk zal maken in zijn autobiografische vertelling I Have a Thing to Tell You.

Hitler en zijn regering gebruikten de Olympische Spelen schaamteloos voor propaganda-doeleinden. Dat historische beeld is niet verrassend, maar het wordt door Hilmes persoonlijk gemaakt, dicht bij de lezer gebracht. Het was de bedoeling van de machthebbers om Duitsland enerzijds als een vredelievend en betrouwbaar lid van de familie der volkeren te tonen, en anderzijds de familieleden te imponeren door een perfecte organisatie en door de verbluffende technische innovaties waarmee de wedstrijden – deels live – in beeld werden gebracht. Daarom was de rol van cineaste Leni Riefenstahl voor de nazi’s ook zo belangrijk (een van haar vondsten was de filmcamera die over rails naast de atletiekbaan met de hardlopers mee snelt).

De gigantische kosten die de Spelen met zich meebrachten bleken goed besteed: sportliefhebbers en media kregen de indruk dat de verontrustende berichten uit Duitsland overtrokken waren.

Victor Klemperer en andere intellectuelen waren verbijsterd over deze naïviteit. Kort voor de Olympische Spelen was Duitsland het gedemilitariseerde Rijnland binnengemarcheerd en in diezelfde mooie sportzomer van 1936 werden gevangenen onder onmenselijke omstandigheden gedwongen het concentratiekamp Sachsenhausen aan te leggen – op acht kilometer van Berlijn.