Twee competitieve jongens

Guus Valk belicht in deze rubriek de voorbereidingen van Donald Trump op zijn inauguratie als president van de VS op 20 januari.

President Obama tijdens een persconferentie in het Witte Huis. Foto Pablo Martinez Monsivais / AP

Een dag later was het humeur van Trump alweer verbeterd, na een geruststellend telefoongesprek met Obama. Maar in de kern had hij een punt. Verdwenen is de Barack Obama van de eerste weken na de verkiezingen, die met rust en kalmte probeerde te redden wat er te redden viel van zijn presidentschap. Nu zijn laatste drie weken in het Witte Huis zijn aangebroken, is Obama opeens een stuk assertiever. In een paar dagen:

1. Kwam hij met vergaande sancties tegen Rusland;

2. Kondigde hij een grote toespraak over zijn politieke nalatenschap aan in Chicago;

3. Verbood hij nieuwe olie- en gasboringen voor de kust van Alaska;

4. Liet hij de automatische vetosteun voor Israël in de VN-Veiligheidsraad vallen.

En dan was er nog Obama’s toespraak bij de herdenking van de Japanse aanval op Pearl Harbor, 75 jaar geleden. Obama sprak meer in algemene zin over Amerika’s rol in de wereld, en hield een pleidooi voor ouderwets fatsoen in de politiek. „Juist wanneer de haat het hevigst is, en de hang naar tribalisme het sterkst, moeten we de drang weerstaan om naar binnen gekeerd te raken, en mensen te demoniseren die anders zijn.”

Obama noemde Trump niet. En het Witte Huis ontkende dat de president over zijn opvolger had gepraat. Maar medewerkers van Trumps transitieteam lieten weten dat de president-elect de zaak hoog opnam. Wat niet hielp, was dat Obama vlak ervoor had gezegd dat als hij een derde keer had meegedaan aan de verkiezingen, hij zeker van Trump zou hebben gewonnen. Dat was een sneer aan het adres van zowel Donald Trump als Hillary Clinton.

Presidenten die een opvolger met een andere politieke kleur moeten inwerken, heb je in twee soorten. Er is de George Bush sr.-soort. De president die zich loyaal voelt aan het landsbelang, en zich zo klein mogelijk maakt. Bush deed dat in 1992, toen hij werd opgevolgd door de Democraat Bill Clinton. Bush schreef Clinton een brief, die de laatste weken vaak gedeeld wordt op sociale media. „Het gaat soms heel moeilijk worden, zeker als je onterechte kritiek krijgt”, schreef Bush vaderlijk. „Ik ben niet goed in advies geven. Maar laat de critici je nooit ontmoedigen, of van je pad afleiden.”

Er is ook een andere soort, de Herbert Hoover-soort. De Republikein Hoover was president tussen 1929 en 1933, en haatte zijn opvolger, de Democraat Franklin Roosevelt. Hoover vond Roosevelt „ongeïnformeerd” en „visieloos”, schreef Roosevelts biograaf Nathan Miller.

Hoover, nog altijd boos om zijn verkiezingsnederlaag in 1932, nodigde de president-elect één keer uit op het Witte Huis. Hij weigerde tijdens het korte gesprek direct het woord tegen hem te richten. Hij sprak alleen tegen een medewerker van Roosevelt, en liet zijn minister van Financiën college geven over de economie, waarschijnlijk alleen maar om Roosevelt te imponeren. Roosevelt zou later de grootste moeite hebben zich in te werken, en werd pas op 4 maart 1933 geïnaugureerd.

Waar staat Barack Obama, op de schaal van Bush tot Hoover? Hij leek als de eerste begonnen te zijn, maar stelt zich langzamerhand meer op als de tweede. Hij is zich ervan bewust dat vleierij zijn nalatenschap niet redt. Hij kan nu nog iets doen, straks zit hij als ambteloos burger in een mooi vrijstaand huis in de wijk Kalorama. Toch is van echte sabotage geen sprake. Achter de schermen werken Obama’s medewerkers nauw samen met Trumps team. De plotselinge spanning heeft meer met geldingsdrang te maken, zei een adviseur van Trump, Anthony Scaramucci, deze week. „Het zijn twee competitieve jongens. Het soort jongens dat op de golfbaan ruzie krijgt over de vraag wat hun handicap is.”