Column

Het gaat echt beter met ons. Toch?

Vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Dat blijkt uit de laatste economische cijfers. Al hangt het er wel vanaf wie je het vraagt.

Met welk gemoed gaan Nederlanders 2017 in? Moeilijke vraag. Als ik het economisch bekijk, dan zeg ik: lekker optimistisch. Consumenten barsten van het vertrouwen. Zo hoog was het in geen negen jaar. Zelfs 65-plussers hebben er weer wat meer fiducie in; hun vertrouwen bleef de afgelopen jaren consequent ver achter bij de rest van de bevolking. Het gemoed van ouderen is nog steeds niet denderend, maar wel een stuk beter. Hetzelfde geldt voor laagopgeleiden.

De werkloosheid daalt hard, we geven het geld weer uit. De huizenprijzen trekken aan. De economie groeit. Bedrijven investeren. Het begrotingstekort daalt. En ook politiek Den Haag kan weer denken aan investeren.

Natuurlijk zijn we wel eens optimistischer geweest, natuurlijk kan de economie veel harder groeien dan nu. Natuurlijk is de werkloosheid nog altijd hoger dan toen de crisis in 2008 begon. Natuurlijk zijn er veel onzekerheden die binnen de kortste keren korte metten kunnen maken met dat vertrouwen, zoals economen in elke economische voorspelling omstandig benadrukken. Goed economisch nieuws komt nog altijd met een A4’tje aan kanttekeningen.

Toch had ik een grotere zucht van opluchting verwacht dan ik nu hoor. Want wat duurde het economische gekwakkel ongelooflijk lang. Deprimerend lang. Na de financiële crisis van 2008 en de eurocrisis van 2010 bleven we hangen in een economische flatline. Zelfs bij de grootste optimist kwam wel eens de vraag op: komt het nog goed? Nu blijkt, we kunnen het nog, groeien en bloeien. Maar om nou te zeggen dat ik de indruk heb dat Nederland optimistisch 2017 ingaat. Nee.

Waar ligt dat aan? Praten we onszelf wat aan, of is er reden om gereserveerd te zijn?

Ik vroeg het aan de deskundigen die ons gemoed meten. En wat direct opvalt: we zijn veel positiever over de economie dan over Nederland als geheel.

Vraag Nederlanders of het de goede kant opgaat met Nederland en bij de laatste peiling van het Sociaal en Cultureel Planbureau deze zomer zei maar 28 procent ja. Terwijl toen ook al zo’n 75 procent de economie positief bekeek. Grootste zorgen over het land: hoe we met elkaar omgaan en immigratie en integratie.

Er is ook een zeer groot verschil in vertrouwen en optimisme tussen groepen. Zo is het economisch vertrouwen onder laagopgeleiden en 65-plussers veel minder groot dan onder 65-minners en hoogopgeleiden. Middelbaar opgeleiden zitten ertussenin. Het verschil tussen 65-plus en 65-min is uitzonderlijk hoog, constateert Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het Centraal Bureau voor de Statistiek. „Deze crisis raakte ook gepensioneerden die voorheen niet veel merkten van recessies: hun pensioen bleef in de regel gelijk, economische dip of niet. Maar nu werden ook de pensioenfondsen geraakt; die moesten de pensioenen korten. Dat is nog steeds niet beter.”

Wat ook opvalt: het vertrouwen daalt bij hoog- en laagopgeleiden in een crisis even hard, maar daarna stijgt het bij laagopgeleiden veel langzamer. Voor zij optimistisch worden, moet de economie langdurig groeien.

SCP-directeur Kim Putters ziet een duidelijk stemmingsverschil tussen groepen Nederlanders. Hij onderscheidt drie sentimenten: een groep is tevreden, een onzeker en een boos.

1. De ‘bovenlaag’ van de Nederlanders en de ‘jonge kansrijken’ zijn tevreden en optimistisch. Zij geven hun leven een cijfer boven de acht.

2. De ‘werkende middengroep’ en de ‘comfortabel gepensioneerden’ zijn onzeker. Zij hebben het goed maar vragen zich af of dat zo blijft; kinderopvang, gezondheidszorg en pensioen, blijft dat allemaal goed gaan? Putters: „Van die middengroep met tweeverdieners wordt veel verwacht. Daar neemt de druk om alles te combineren toe.” Juist deze mensen vallen vaak buiten de regelingen, toeslagen en aftrekposten. „Zij hebben sterk het gevoel: ik grijp er altijd naast. Waar betaal ik voor?”

3. De ‘onzekere werkenden’ en ‘de achterblijvers’ zijn boos, of afgehaakt en onverschillig. Ze geven hun leven een zesje. Dat is internationaal gezien laag. Juist in deze groepen zijn de problemen de afgelopen jaren verergerd, zegt Putters. Ze hebben vaker onzeker werk, zijn vaker werkloos, hun inkomen groeit minder hard dan dat van anderen, er is meer armoede.

Als je al deze mensen vraagt wat ze trots maakt op Nederland, dan ziet Putters een opvallende rode draad. Ze zijn trots op onze vrijheid: je mag hier zeggen wat je denkt en zijn wie je bent. Op onze verzorgingsstaat: niemand slaapt hier onder de brug. En op de grote Nederlandse bedrijven. Maar: „Alledrie hebben een knauw gekregen, het meest de laagopgeleiden. Mag je nog wel zijn wie je bent? Denk aan de discussie rond Zwarte Piet. Is de verzorgingsstaat er nog wel voor mij? En scheppen bedrijven nog wel die banen?”

De onzekerheid en het onbehagen hebben een culturele component die met immigratie te maken heeft, maar ook zeker een economische. Want ook al gaat het eindelijk weer beter, de economie is anders dan twee decennia geleden. Er zijn minder vaste banen, en het huishoudinkomen groeit al sinds 2001, ver voor de crisis dus, nauwelijks. Van Mulligen: „Het gaat beter maar het is zeker nog niet 100 procent.” Dat merken de ‘onzekere werkenden’ en de ‘achterblijvers’ het sterkst maar ook de werkende middengroep ziet die verandering.

Hierin is Nederland niet uniek: de lonen staan overal in het Westen onder druk, de positie van werknemers verzwakt elders ook. Van Mulligen: „Er zijn maar weinig Europese landen aan te wijzen waarin het echt goed gaat met het inkomen.”

Hoe staat het eigenlijk met het gemoed in de rest van Europa? Ronduit slecht, blijkt uit Europees onderzoek. Vergeleken met andere Europeanen blijken Nederlanders een positief volkje. Alleen de Maltezen en Ieren zijn vrolijker over land én economie. In vrijwel alle andere Europese landen is een meerderheid van de bevolking somber, ook in de Scandinavische landen. We zijn de zonnetjes in huis omdat hier meer mensen denken dat het de goede kant op gaat dan mensen die denken dat het de slechte kant op gaat.

Nu bijna iedere intellectueel psychiater is geworden van de geestelijke toestand van het volk – wie is boos en waarom – is die relativering het waard om voor 2017 te onthouden.

Marike Stellinga schrijft elke zaterdag een column over politiek en economie