Een zonsondergang proberen na te doen

Joke van Leeuwen

Ook Joke van Leeuwens nieuwe bundel bevat maatschappijkritiek, waarin de dichter haar lezer laat delen in haar al dan niet gespeelde verwarring. Als er al een boodschap is, dan een dubbele.

Joke van Leeuwen, Antwerpen 2013 Foto Jörgen Caris / Hollandse Hoogte

In het laatst verschenen nummer van de Poëziekrant (december 2016) staat een gesprek met Joke van Leeuwen over haar nieuwe dichtbundel, Het moet nog ergens liggen. Het is een hilarisch stuk, omdat de interviewster hardnekkig bevestiging zoekt van haar maatschappijkritische interpretaties. Tevergeefs gelukkig. Joke van Leeuwen pareert haar suggesties met opmerkingen als: ‘Ik schrijf niet vanuit theorieën, maar eerder vanuit een mengeling van wat er in taal ontstaat en wat er aan ervaringen, vergelijkingen, omkeringen en observaties opkomt.’ Ze schrijft, zegt ze, geen opinies maar lyriek. En daarvoor is veel bruikbaar. Regels zoals ‘een vrouw zegt / hard genoeg dat ze veel liever / nog die Marokkanen naast / zich heeft dan Hollanders’ is geen verzinsel, maar een opmerking die ze over de tuinmuur heen hoorde.

Microkosmos

Joke van Leeuwen (1952) is zich heel wel bewust van de wereld die haar omringt, maar in haar werk kijkt ze meer in- dan uitwaarts. Haar territorium is de microkosmos van haar eigen leefomgeving. Die beziet en beluistert ze met de taalfascinatie die ze helder vorm gaf in Waarom een buitenboordmotor eenzaam is (2005). Het zou mij niet verbazen als haar ogen en oren van hetzelfde goddelijke plankje komen als die van K. Schippers. Verbazing over het alledaagse leidt bij beide dichters tot blik verschuivende teksten. Dan wordt een feest als volgt ervaren:

Geschenken blijven ingepakt, er is nog feest omheen

we zitten in een cirkel, vragen hoe het gaat

weten te vertellen, eten wankele toastjes

onze gezichten komen ons bekend voor

iemand probeert een zonsondergang na te doen

maar straalt nog te veel, iemand bekijkt het plafond

iemand heeft nog maar net haar kind een naam gegeven

met een x erin, iemand heeft troostrijke plannen

en gaat op een stoel staan. Uitgeklapte oren, langzaam

stijgend zwijgen. Buiten lopen mensen rond

die niet zijn uitgenodigd en niet weten wie er wat

op dit geëigende moment wou willen krijgen.

Al zeven bundels lang trakteert Joke van Leeuwen haar lezers op zulke caleidoscopische in- en doorkijkjes. In Het moet ergens liggen dwaalt haar blik weer alle kanten uit.

Dat gebeurt ook in de cyclus ‘Visioenen’. Qua vorm is dat een hechte reeks, maar inhoudelijk is het een bonte waaier.

In de Poëziekrant vertelt de dichter dat de cyclus haar werd ingegeven door een ervaring die visioen zou kunnen heten. ‘Het overkwam me opeens op een ochtend en ik ervoer het in mijn hoofd zoals een vliegtuig dat door de wolken vliegt in het lichte blauw erboven terechtkomt. Een niet aan mijn persoon of situatie gebonden prachtige boven mij uitstijgende ervaring. Ik wilde schrijven als in zo’n opgetild soort laten-gebeuren in een tranceachtige cadans.’ Ze dacht daarbij ook aan Hadewych en haar 13de-eeuwse visioenen.

Alledaags

In de ‘Visioenen’ van Joke van Leeuwen wisselt het perspectief per vers. De lyrische ‘ik’ beziet en beschrijft haar trances vanaf een bank in de stad, in de zee staand, door een bos lopend, en vanaf nog negen andere standpunten. Het zijn visionaire teksten, maar met een alledaagse inslag.

Ik sta tussen mensen met taal als muziek

tussen woningen hoog tot de wolken.

Daar is een station waar geen trein meer

verschijnt, want de biels opgebrand en

het gras tot de rand en drie apenfamilies

ertussen. Er loopt al een poos vrolijk volk

heen en weer, met veel dozen in dozen in

dozen…

De avond wil vallen en intussen staan de mensen gezellig en mooi te hopen, maar ze weten wel dat er niets van komt.

… Dat is zo al jaren, gebaren

ze gierend, ze vegen mijn haren zacht

uit mijn gezicht. Ze geven me alles waar

ik naar moet wijzen. Dan gaan ze terug

naar hun woningen, blijf ik alleen

in de vochtige schemer en

vraag ik mijn voeten waarheen.

Zo had Hadewych het acht eeuwen eerder kunnen schrijven. Maar anders dan de visioenen van de abdis van Acquiria zijn die van Joke van Leeuwen niet religieus of esoterisch. In Het moet nog ergens liggen is ook geen sprake van ‘minne’, laat staan goddelijke minne. Missiedrang is vreemd aan deze reeks.

Verwondering

Geen boodschap dus? Dat is nog maar de vraag. In heel haar dichtwerk laat Joke van Leeuwen de lezer in haar, al dan niet gespeelde verwarring delen. Als er al een boodschap is, dan een dubbele. Verwondering lijkt belangrijker dan mededeling. Dit geldt evenzeer voor haar losse verzen als voor de dromenreeks ‘Visioenen’. Opvallend ook is hoe luchtig prikkelend zelfs dit trancewerk wordt beschreven. Zo luchtig zal geen maatschappij-criticus of missionaris zich uiten.

    • Arie van den Berg