Recensie

Een Godsbevel: handel zedelijk

God en wetenschap

De rede zal nooit in staat zijn het geloof te doorgronden, schreef Pascal. Dat was jammer voor de rede. Hoe zat het met het godsbesef bij andere grote wetenschappers?

Op het geloof gebaseerde verklaringen voor allerlei verschijnselen op aarde werden in toenemende mate vervangen door bevredigender verklaringen Foto Getty Images/Vetta

De aarde is plat, van inenting word je autistisch, er is nooit iemand op de maan geweest en Jezus woont op Venus – allemaal uitspraken die door sommigen worden geloofd. Althans, zij die beter menen te weten, noemen dat geloven; aanhangers van deze stellingen weten zeker dat ze waar zijn, ook al is er in de ogen van redelijke geesten geen schim van bewijs voor. Voor ons in noordwest Europa is het nu niet zo’n probleem om er dergelijke opvattingen op na te houden. Iedereen kan wat dit betreft zijn gang gaan.

Figurenstudie

In de tijd dat de macht en invloed van het christendom nog ongebroken was, lagen de zaken anders, maar het bloed kroop ook toen waar het niet gaan kon en in de loop der eeuwen werden de traditionele, op het geloof gebaseerde verklaringen voor allerlei verschijnselen op aarde en aan het uitspansel in toenemende mate vervangen door bevredigender verklaringen. Waarneming, experiment en wiskunde boden nieuwe inzichten, die strijdig waren met die van de gevestigde orde. Om aard en wezen van dat spanningsveld tussen geloof en wetenschap te onderzoeken schreef Floris Cohen (1946), hoogleraar in de vergelijkende geschiedenis van de natuurwetenschap, een studie met de titel Het knagende weten.

Hoe is Cohen te werk gegaan? Uitgaande van de veronderstelling dat dat spanningsveld het meest uitgesproken te vinden moet zijn in de arbeid en de persoon van de wetenschapper, heeft hij daar gezocht. Wie daarvoor in aanmerking komt moet hieraan voldoen: ‘Affiniteit met geloof, gepaard gaand met een diep besef van de zo problematisch uitpakkende, redelijke fundering ervan: daarmee komen we terecht in het hart van de spanningsverhouding die ik bij mijn hoofdpersonen ga naspeuren.’ Daarvoor koos hij leven, werken en godsbesef van een aantal groten in de wetenschap uit: onder anderen Kepler, Galilei, Pascal, Newton, Kant, Darwin, Max Weber en Einstein passeren in deze ‘figurenstudie’ de revue.

Het is geen geringe opgave om aan de hand van deze kopstukken die vaak in veel, zo niet alles een uitzondering zijn op de doorsnee-mens, dat spanningsveld af te bakenen. Kepler en Galilei zagen hun wetenschappelijke bevindingen niet in tegenspraak met het geloof, al deed de kerk dat in het geval van de laatste wel, zij het minder kras dan de geschiedenis het heeft willen hebben – Cohen wijdt daar enkele behartigenswaardige pagina’s aan. Maar vooral bij de later levende ‘figuren’ is er nauwelijks sprake van ernstige innerlijke tweestrijd, laat staan van openlijke conflicten met het gezag, die uitliepen op verstoting uit de maatschappij. De meesten hebben zich er slechts terloops over uitgesproken, misschien omdat het voor hen niet de hoofdzaak van hun werk uitmaakte.

Pascal

De uitzondering is Blaise Pascal, briljant in alles wat hij aanpakte. Naar eigen zeggen is hij op een dag met het geloof geslagen waardoor er voor hem geen spanningsveld meer tussen wetenschap en geloof bestond maar eerder een kloof: de rede zal nooit in staat zijn het geloof te doorgronden. Jammer voor de rede, want Pascal zou het ideale voorbeeld voor Cohens spanningveld zijn geweest, maar ook bij hem is er geen sprake van een innerlijk conflict. Iemand als Wittgenstein, die in Cohens boek ontbreekt, was overigens even absoluut in zijn strenge scheiding van rede en geloof als Pascal.

Newton heeft zijn opvattingen over het geloof altijd voor zich gehouden omdat ze niet strookten met de leer die in zijn wereld algemeen aanvaard was. Darwin kon de resultaten van zijn onderzoek niet meer verenigen met de geloofsleer en koos aarzelend voor de conclusies die hij uit zijn waarnemingen had getrokken, die uiteindelijk uitmondden in de evolutietheorie. Aan het eind van de 19de eeuw onderkende Max Weber de spanning tussen geloof en wetenschap, maar wilde ‘het offer van het intellect’ niet brengen en Einsteins beroemde uitspraak dat God niet dobbelt, betekende geen instemming met welk geloof dan ook. Zijn God was hoogstens, volgens Cohen, ‘een uitdrukking van de wereldharmonie’, geen persoonlijke bemoeial.

Uiteindelijk blijkt Kant de spil van Cohens boek te zijn, maar ook voor deze filosoof betekende dat spanningsveld tussen geloof en zijn denken geen onoplosbaar probleem. Welbeschouwd was hij even radicaal als Pascal, maar dan omgekeerd. Van transcendente voorstellingen moest Kant niets hebben, al breekt hij er wel een lans voor, omdat hij ze niet onbruikbaar achtte. In de woorden van zijn latere commentator Hans Vaihinger: ‘wie zedelijk handelt, doet vanzelf alsóf een God hem die handelswijze had voorgeschreven. Daaruit volgt de stelregel: als je zedelijk handelen wilt moet je doen alsóf een God, alsof jouw God je dat had bevolen.’ In deze – overigens weinig wetenschappelijke – opvatting kan Cohen zich wel vinden, daarentegen moet hij niets hebben van het gekissebis over het al dan niet bestaan van God; het woord ‘god-hypothese’ vervult hem met gêne. Naar zijn mening zijn zulke discussies onwetenschappelijk, omdat de uitkomst niet experimenteel te verifiëren zou zijn. Maar dat geldt wel voor meer kwesties in de filosofie.

De meesten van Cohens vroege ‘figuren’ zijn in het geloof geboren, daaraan ontleende ze hun eerste kennis omtrent de fysieke wereld en een zeker vertrouwen in de goede afloop van hun bestaan erin. Dat het inruilen van die vertrouwde wereld voor de nieuwe, met de rede bevochten, een afscheid inhield dat niet zomaar kon worden weggeredeneerd was en is voor velen een pijnlijk proces. Menigeen, wetenschapper of niet, merkte dat onverzoenlijkheden als geloof en rede zich niet of maar moeizaam met elkaar lieten verzoenen.

In deze tijd zal er van een ‘spanningsveld’ nauwelijks meer sprake zijn. Volgens een recent onderzoek is zestig procent van de Nederlanders ongelovig en dus vrij een eigen weg te zoeken, welke die ook is.

Sereen

Is Cohen in zijn opzet geslaagd inzicht te geven in de wrijving tussen geloof en wetenschap? Nee, de figuren die hij voor zijn onderzoek had uitgekozen bleven tamelijk sereen, ze zochten het conflict met de samenleving niet en wisten het innerlijke conflict een plaats te geven. Dramatische crises treffen we dan ook nauwelijks aan, met uitzondering van die van Galilei en misschien die van Pascal. Wellicht stond de keuze van Cohens personages zoiets ook in de weg, in elk geval was zijn gezelschap niet voor één gat te vangen en wisten deze groten van de wetenschap de spanningen tussen rede en geloof, als die er al waren, te kanaliseren en ze een plaats in hun wereldbeeld te geven. Ook al had de auteur minder grote geleerden gekozen, dan was het beeld waarschijnlijk niet anders geweest. Cohen heeft ruime aandacht gegeven aan de wetenschappelijke inzichten van zijn figuren, die misschien niet altijd even relevant voor zijn studie waren, maar die het boek ongetwijfeld voor velen interessant maken.