De val van de kwajongens

Jaaroverzicht

2016 was het jaar waarin Hollezers en elitelezers de winkels verrasten, terwijl de vrouwen de pen overnamen.

Illustratie Gijs Kast

Bestsellerlijsten hebben geen glazen plafond. Astrid Holleeder verkocht 250.000 exemplaren van Judas in koud zes weken tijd. Voor de telduivels: dat komt neer op ruim 40.000 exemplaren per week, iets minder dan 6.000 per dag, 4 boeken per minuut, dag en nacht. Daarmee schaart Holleeder zich in een het illustere gezelschap van J.K. Rowling en E.L. James; auteurs die in het recente verleden zo veel boeken verkochten dat het haast wel Iets Groters moest betekenen – kennelijk snakten we naar iets magisch (Rowling) of naar het klappen van de zweep (James).

Maar wat willen wij dan met Judas? Hoe komt het dat het legendarische De ontvoering van Freddy Heineken plots is verbleekt tot een schamel vooruitboekje? En wie zijn wij eigenlijk, die lezers? Want de boekhandel meldde een bestorming van nieuwe klanten. In NRC zei boekhandelaar Daan van der Valk: „Je kon bij binnenkomst al zien wie er voor Holleeder kwam en wie niet.” Hoe de Hollezers te herkennen waren, vermeldt het verhaal niet. Vuurwapens in de broekriem? Scooters? Twan Huys? (Eén boekhandelaar hoorde van zo’n nieuwe lezer dat hij nog met Willem ‘op cel’ had gezeten.)

Eerlijk is eerlijk, ik ben maar heel gedeeltelijk ‘wij’. Niet alleen ben ik een elitelezer die verzot is op boekhandels, maar die hele Willem Holleeder heeft me nooit een klap geïnteresseerd. Niet toen hij nog de helft vormde van het duivelse ontvoerdersduo ‘H. en van H.’ en niet als knuffelcrimineel. Het beschamende televisie-interview in College Tour heb ik niet gezien, de boeken heb ik niet gelezen. Behalve Judas dan.

Of het een goed boek is? Minder dan Harry Potter en beter dan Fifty Shades of Grey, maar dat wist u al – want u heeft het boek natuurlijk wél gelezen. Dus u weet ook dat het niet om Willem Holleeder gaat in het boek. Hij is een doodgewone schurk: opportunistisch, gemeen en levensgevaarlijk: ‘een valse hond’ noemt zijn zus hem ergens. En ja, honden zijn vaak vreselijk saai.

Rafelig Amsterdam

Interessanter is Astrid Holleeder zelf, of preciezer: de ‘familiekroniek’ uit de ondertitel. Dat is een verslag van het leven in rafelig Amsterdam. Waar zelfs je oude moeder in geheimtaal spreekt aan de telefoon, een echtgenote na het ontwaken uit de narcose kan ontdekken dat haar man de bestelde Cup C toch in een D heeft veranderd, waar je op straat looplijnen uitzet om niet in de baan te belanden van verdwaalde kogels bij een eventuele moordaanslag. De spanning van Judas zit behalve in de logistiek van het verraad (waar is mijn verborgen microfoontje nu weer ingegleden) in het grote waarom. Want waarom heeft de schrijfster dertig jaar gezwegen? En hoe betrouwbaar is haar verhaal nu eigenlijk?

Ik werd heen en weer geslingerd tussen wantrouwen en medelijden. Judas beschrijft het leven in een gesloten subcultuur, die weliswaar materiële voordelen kan brengen, maar waarin je geen snippertje vrijheid overhoudt – en waarin een monsterlijke pater familias zich al dreigend en manipulerend meester van je maakt.

Dat zal ook de niet-Hollezers bekend in de oren klinken en wel uit een ander vrouwenleven dat deze herfst de boekhandel uit vloog, zij het in de robuuste tassen van de doodgewone elitelezer: de uitstekende biografie die Jolande Withuis schreef over de voor-vorige koningin der Nederlanden.

Kwajongen

Niet dat paleis Noordeinde vergelijkbaar is met de Eerste Egelantiersdwarsstraat, maar in beide sferen heerste een vergelijkbaar gevoel van beklemming. En een gierend gebrek aan privacy. Astrid Holleeder leerde al jong dat ze altijd afgeluisterd kon worden en voelde onophoudelijk de knoet van haar broer: ontsnappen was eindeloos veel moeilijker dan doormodderen. Juliana wist vanaf haar kleuterjaren dat haar bestaan bepaald zou worden door ‘het protocol’. En ook zij had een charismatische man in haar leven die de boel nog wat verder wist te versjteren: in haar geval geen broer, maar een echtgenoot.

Bernhard van Lippe Biesterfeld was geen ontvoerder of moordenaar, maar wel een man die hoopte dat hem het een en ander als kwajongen vergeven zou worden. „Ik hoop dat ze me later zullen zien als deugniet, maar niet dat ze zullen zeggen: hij deugde niet,” verklaarde hij aan de male groupies die hem kort voor zijn dood in 2004 interviewden. Voor zover dat bedoeld was als onderzoeksopdracht, kunnen we die na Withuis’ biografie (en Annejet van der Zijls ontluisterende verslag van de jonge jaren van de prins) als volbracht beschouwen: die man deugde niet. Het beeld van de charmante sjoemelprins is verdrongen door dat van de Schrik van Soestdijk: een man die minderjarige meisjes onder de blouse greep, voor wie werkneemsters angstig hun kamerdeur op slot draaiden. Daar komen Bernhard en Holleeder samen: mannen die er alles aan deden om hun misstappen te presenteren als kwajongensstreken uit het verleden – waarbij het ontluisterend is hoe lang zij daarin slaagden. Eigenlijk duurde dat tot braafschrijvende jongens plaats maakten voor vrouwen die de pen voerden.

Boekenweekgeschenk

En dat is tekenend voor het boekenjaar 2016. De oude jongens werden met krentenbrood en al opzijgeschoven, afgezien wellicht van een enkele prominente kwajongen in de VS, die nog weerstand lijkt te bieden aan de geschiedenis. Maar in Nederland was dit het jaar van de vrouw. En niet alleen omdat Esther Gerritsen als eerste vrouw in veertien (!) jaar het Boekenweekgeschenk schreef. De literaire prijzen waren (eindelijk) niet aan te slepen: van Astrid Roemers P.C. Hooftprijs en Connie Palmens Librisprijs tot de Fintro-prijs voor Hagar Peeters en de Brusseprijs voor Marcia Luyten. Elisabeth Lockhorn kreeg de Henriette de Beaufort Prijs, Elisabeth Leijnse de Biografieprijs én de Libris Geschiedenis Prijs. Pas toen we aan het eind van het jaar bij de ECI-prijs en de P.C. Hooftprijs 2017 aankwamen, kropen nog wat mannen te voorschijn.

Uiteraard ging de Anton Wachter Prijs, de onderscheiding voor het beste debuut van de laatste twee jaar, naar een vrouw: Roos van Rijswijk (Onheilig). De literaire toekomst tekent zich kraakhelder af: slechts één van de laatste vijf Anton Wachterprijzen ging naar een man. Vooralsnog onbekroond, schoot de Vlaamse Lize Spit ruim voorbij de 130.000 exemplaren met Het smelt, het verhaal van een jonge vrouw die terugkeert naar haar geboortedorp met een blok ijs en het vaste voornemen om iets recht te zetten. Ruim over de 400 pagina’s, maar dat deerde geen lezer. In kleinere kopletters werden de prozadebuten van Kira Wuck, Jente Posthuma en Emy Koopman warm onthaald. De Anna Bijns Prijs, om de vrouwelijke stem in de literatuur te steunen, zullen zij niet meer krijgen. Die kon worden opgeheven. Intussen stroomden de zalen vol voor de grote Zadie Smith (Swing time) en het jonge wonderkind Emma Cline (De meisjes). Geheimtipsgewijs gaf men elkaar de wonderlijke columns van de Braziliaanse Clarice Lispector door.

Koude douche

In Italië werd de identiteit onthuld van Elena Ferrante, de zeer succesvolle schrijfster van een romancyclus over twee Napolitaanse jeugdvriendinnen. Ook dat werd een koude douche voor literatuurvorsers die jarenlang twee mogelijkheden zagen: dit waren de boeken van een geboren Napolitaanse die ‘gewoon’ haar eigen leven te boek stelde óf het was een ‘echte roman’, en dan dus geschreven door een man. Dubbel mis. Ferrante bleek een in Rome wonende vertaalster: een vrouw met superieure verbeeldingskracht. Zo sneuvelde meteen het volgende vooroordeel, dat vrouwen vooral schrijven over ‘kleine persoonlijke wissewasjes en relatieproblemen’ (de Librisjury 2007).

Als een verrassing kon de wisseling van de wacht intussen niet komen. Dat lezen in de eerste plaats een vrouwenzaak is, weten we al decennia – al was het in de polder even wennen toen zich begin dit jaar een (anonieme) Lezeres des Vaderlands meldde: ‘Ik ben een vrouw van veertig met een sigaret. Ik ben een student. Ik ben een oma met een smartphone.’ Op haar blog geselde ze de Nederlandse boekenbijlagen, door onder de hashtag #lekkertellen bij te houden hoeveel boeken van en door vrouwen werden besproken. De resultaten waren (ook voor deze bijlage) pijnlijk. Een bijkomende missie van de Lezeres des Vaderlands kreeg overigens wat kolderieke trekken: het consequent aanpakken van elke verwijzing naar de ‘Grote Drie’. „Ik denk dat er in Nederland te weinig ruimte is voor werkelijke pluriformiteit omdat het ultieme kwaliteitscriterium nog altijd is: is hier de nieuwe Reve, Hermans of Mulisch opgestaan?” zei de Lezeres in de VPRO Gids. Ik denk dat het trio naoorlogse kwajongens al dood zat is – en dat het altijd de moeite waard (en belangrijk) is om aan te wijzen wat er in het verleden aan schitterends is geschreven. Door wie dan ook.

Al is dat niet het enige. Zo bleven haar heren generatiegenoten in de romanbusiness dit jaar in de schaduw van Nelleke Noordervliet. Haar Aan het eind van de dag vertelt het levensverhaal van een vrouw – even wars van wissewasjes als haar schepper – die zich opwerkte tot minister, in een boek dat óók een hartstochtelijke verdediging van de roman is. Én een haarscherpe analyse van hoe we zelf een verhaal van ons leven proberen te maken en hoe pijnlijk het is als anderen dat in onze plaats willen doen. Pijnlijk ook, omdat die anderen best vaak gelijk hebben.

Echte vrouwenlevens

Minstens zo indrukwekkend waren twee échte vrouwenlevens, althans stukjes ervan. Aan het begin van het jaar verscheen het eerste deel van de dagboeken van Doeschka Meijsing, En liefde in mindere mate. De tiener Meijsing (1947-2012) begint als trouw navolgster van Anne Frank, richt haar dagboekbrieven tot een fictieve Margaret, wisselt schoolzaken af met zinnen als: ‘De dagen die achter me liggen zijn afgeleefd en verpulverd in een grijs stof dat uit de plooien van mijn huid valt.’ De lezer wéét natuurlijk allang dat Meijsing schrijfster zal worden. Het dagboek loopt tot haar 39ste. De weg naar (en door) haar schrijverschap was er een vol ongeluk. Ze leed aan een door haar familie (jij schrijft Libelle-proza) aangejaagde onzekerheid. Die familie kon niet lezen, maar leg dat een twijfelende jonge auteur maar eens uit.

Meijsings dagboek is een monument, maar wordt nog overtroffen door dat van Hanny Michaelis (1922-2007), die in 1940 en 1941 bijna alles opschreef wat ze meemaakte. Haar dagboek vloeit heen en weer tussen liefdes- en andere onderlinge perikelen in de vijfde klas van het Amsterdamse Vossius Gymnasium en de ervaringen uit het begin van de bezetting. Ze doet verslag van de bombardementen, veroordeelt Menno ter Braak (‘voor zelfmoord is het nooit te laat en bijna altijd te vroeg’), maar legt ook bijna dagelijks de lichtval bij de Amstel vast. Intussen leest ze zich, elitelezertje in de dop, drie slagen in de rondte.

Zelden zie je zoveel samengebald literair talent in een achttienjarige. Waarbij onze kennis van het vervolg zijn schaduw vooruit werpt. Want de mensen die door Michaelis liefkozend ‘het ouderpaar’ worden genoemd, zullen het einde van de oorlog niet halen; een blijvende herinnering aan het vermogen van de mens om de ander tot ondermens te verklaren.

Michaelis zou de literaire wereld betreden, maar met een schroomvalligheid die de mannen van haar leeftijd ten enenmale misten. Omdat ze man waren en misschien ook wel omdat bepaalde dingen hun bespaard waren gebleven. Dus werden zij rijker en beroemder en moesten wij tot een eind in de 21ste eeuw wachten tot de kwajongens voldoende waren opgeschoven om dit geweldige dagboek in het volle licht te zetten. Meer nog dan het jaar van de vrouw moeten we 2016 misschien zien als het jaar van één vrouw: de achttienjarige Hanny Michaelis, in de laatste zonnestralen van haar jeugd.