De duurste viool is jarig

Stradivarius ‘De Messias’

Antonio Stradivari’s duurste viool, de Messias, viert zijn driehonderdste verjaardag. Hij is nooit gebruikt. En is te zien in Oxfords Ashmolean museum.

Foto Stock

De kleine zaal met oude strijkinstrumenten ademt iets spookachtigs, cello’s en violen hangen zwijgend in hun vitrines, dof en doods. Vroeger gingen ze van hand tot hand, hun bespelers leefden en stierven als voorbijgangers in het bestaan. Maar het Ashmolean in Oxford veroordeelde de instrumenten tot zwijgen. Ze werden kunst, simpelweg door hun ouderdom. En waar overal in dit museum de stilte heilzaam werkt, pijnigt zij hier het oor.

Toch straalt in deze sarcofaag één viool van leven. Alleen in zijn glazen kist viert hij dit jaar zijn driehonderdste geboortedag, maar hij glanst alsof zijn bouwer Antonio Stradivari hem pas gisteren heeft afgelakt: het beroemdste instrument ter wereld, de Messias. Zijn waarde wordt geschat op 20 miljoen euro. Oud-conservator Jon Whiteley kan over dat bedrag alleen maar zijn schouders ophalen. Waarom een prijs plakken op iets wat toch niet te koop is? hoor je hem denken.

Niet volmaakt

Drie jaar geleden nam hij afscheid van het Ashmolean met een tentoonstelling over Stradivari. Nu geniet hij van zijn pensioen, maar de Messias zoekt hij nog met enige regelmaat op. Whiteley zag het instrument voor het eerst begin jaren zestig, toen hij na een korte filmcarrière als kindster – die hem zelfs een jeugd-Oscar opleverde voor The Kidnappers (1953) – koos voor een studie in Oxford. Meer dan drie decennia waakte de historicus over de Messias.

Hij werpt een laatste blik in de vitrine en wandelt dan de nauwe gangen van het museum in. „Laten we kijken wat we achter zijn rug kunnen beweren over de Messias”, grijnst hij.

Want je kunt zo’n beroemde viool toch niet in zijn gezicht zeggen dat hij niet volmaakt is? De mythe wil dat Stradivari er geen afstand van kon doen en hem daarom hield tot aan zijn dood. Maar Whiteley denkt er het zijne van. „Ik kan me best voorstellen waarom de Messias nooit is verkocht”, zegt hij. „Er zit een kleine oneffenheid op het voorblad, hoewel die goed werd weggemoffeld, en de f-gaten zijn verontrustend a-symmetrisch. Maar dat boeide Stradivari niet. Hij was een ambachtsman geen kunstenaar: zijn zoektocht draaide om klank, niet om uiterlijke schoonheid.”

De tekst gaat verder na de video

Mythische bijnaam

Hoe kon deze naamloze, onvoltooide viool in de loop der eeuwen uitgroeien tot het duurste instrument ter wereld? Door zijn geschiedenis, is het antwoord, en door één uitzonderlijke eigenschap: hij ziet er na driehonderd jaar nog als nieuw uit. Want de Messias bracht zijn leven door bij verzamelaars, en niet bij musici. Zijn kleurrijkste eigenaar was Luigi Tarisio, een ‘simpele’ timmerman, die een hartstocht ontwikkelde voor violen en cello’s van Italiaanse bouwers. Begin negentiende eeuw ondernam hij strooptochten op het platteland, het was een tijd dat weinigen de instrumenten uit vioolstad Cremona op waarde wisten te schatten. De Messias kocht hij van de verarmde graaf Cozio de Salabue. Hij pochte erover bij de Parijse instrumentbouwers. Een van hen was Jean Baptiste Vuillaume, schoonvader van de violist Jean-Delphin Alard. En die laatste werd moe van dat eeuwige gezever over die toen ruim honderdjarige Stradivarius, die schitterde van nieuwheid. „Die viool van u doet denken aan de Messias van de Joden”, zei hij. „Het volk verwacht hem al tijden, maar hij komt nooit opdagen.” En zo kreeg het instrument zijn mythische bijnaam.

Zijn klank is een mengsel van zoetheid en grandeur

Na Tarisio’s dood reisde Vuillaume spoorslags naar Italië, met alle contanten die hij bijeen kon schrapen, en kocht de inhoud van diens boerderij. Onder het bed van de overledene vond hij een kist met het instrument, dat – zo schreef hij – aldaar bekend stond als de Messias. Vuillaume bewaarde de viool achter glas. En gedurende het beleg van Parijs in de Frans-Duitse oorlog in 1870 begroef hij hem, uit angst voor vernietiging, beschadiging of diefstal. Hij liet er niemand op spelen, want wat de viool bijzonder maakte, was de nieuwstaat. Na zijn overlijden bleef ook schoonzoon Alard – nota bene een violist – er met zijn vingers van af. Pas toen de Londense gebroeders Hill de Messias naar Engeland haalden, mochten bekende violisten er in huiselijke kring weleens op spelen. De Duitse virtuoos Joseph Joachim zette als enige zijn bevindingen op papier. „Zijn klank is een mengsel van zoetheid en grandeur”, schreef hij de eigenaar in een brief.

Mythe van de Messias

Door de zorg waarmee de bezitters hem omringden, kon de viool kennelijk een mooie klank behouden. Over de echtheid van het instrument zijn disputen gevoerd. Vuillaume deed de nodige aanpassingen en tuigde de Messias op tot een volledige viool, onder meer met een staartstuk, waarop Maria en het kind Jezus staan afgebeeld. „Na veel onderzoek is vastgesteld dat het hout van het basisinstrument oud genoeg is om door Stradivari gebruikt te zijn”, verklaart Whiteley. „Maar dat bewijst niet dat de viool van de hand van de meester is. Evenals Rembrandt werkte Stradivari niet alleen in zijn werkplaats. Het is een illusie te denken dat zij alles zelf deden.”

Maar vooralsnog heeft niemand de mythe van de Messias kunnen ontkrachten. In de glazen vitrine lijkt zijn glanzende lak al het leven om zich heen op te zuigen. De Messias blijft het icoon van Oxford. „Voor het Ashmolean”, zegt Whiteley, „betekent hij hetzelfde als Rembrandts Nachtwacht voor het Rijksmuseum.”