Recensie

De Blik van de Ander

Culturele toe-eigening

Afgelopen jaar speelde dit thema een belangrijke rol in het literaire debat: ‘Huidskleur was hot.’ Abdelkader Benali legt uit wat er speelde en wat de rol van identiteit zal zijn in 2017.

Model Marisa Berenson poserend in Mauritius Foto Arnaud de Rosnay/Condé Nast via Getty Images

Niemand is een onbeschreven blad. We zijn getekend door onze afkomst, sekse, opleiding, klasse en karakter. We zijn op een bepaalde manier getekend door onze huidskleur, of preciezer gezegd: de mate waarin onze huidskleur afwijkt van wat de maatschappelijke norm is, bepaalt hoe we worden benaderd, bekeken en gewogen. Verhalen van gekleurde hoog- en laagopgeleiden, vrouwen en mannen, hebben allemaal als kern dat huidskleur de verhouding tot de ander bemoeilijkt – ze tonen hoe de huidskleur voor verwarring en uitsluiting zorgt.

Huidskleur

In 2016 is huidskleur hot geworden; wat er niet leek te zijn, zet nu alles op scherp. Inmiddels is het zelfs zo dat iemand er als een moslim uit kan zien. Moslim is onderdeel van de kleurkaart geworden.

Ik heb me altijd verbaasd over de afwezigheid van het thema Kleur in de Nederlandse letteren. We moeten naar de VS kijken voor boeiende romans, als Invisible Man (1952) van Ralph Ellison – een zwarte man in wit Amerika. Een van de beste romans waarin de politieke consequenties van de huidskleur inzichtelijk worden gemaakt, is The Human Stain (2000) van de joodse schrijver Philiph Roth. Het is niet verrassend dat de roman is geschreven door een auteur bij wie culturele en religieuze identiteit door het werk stroomt.

Hoofdpersonage Coleman Silk, een oud-hoogleraar, is in de VS etnisch zwart maar op het oog wit wat leidt tot een carrière als witte man, een keuze die hem geen windeieren legt. Hij krijgt als witte man in het gesegregeerde Amerika alle kansen om de carrièreladder te beklimmen, ongehinderd door vooroordelen, maatschappelijke obstakels en verboden – tot op een dag een terloopse opmerking, ‘where are those spooks’, hem in de problemen brengt. De uitdrukking kan zowel ‘geesten’, als ‘negers’, betekenen. Coleman moet hangen. De zwarte met het witte gezicht vliegt eruit om een vermeend racistische opmerking.

Verraderlijke ambiguïteit

Voor mij lag de kracht van het boek in het aankaarten van de verraderlijke ambiguïteit van huidskleur in onze tijd. Je kleur legt een bom onder je taal. Verraderlijk omdat kleur alleen gezien wordt door hen die het ervaren en niet of nauwelijks zichtbaar is voor hen die er niet mee geconfronteerd worden. Maar wat het echt tot een probleem maakt is dat ook zij die het willen zien, dat niet of nauwelijks lukt. Het probleem wordt dan al snel weggezet als multicultureel gezeur.

Tot een schrijver als Roth zich ermee bemoeit. Dan komt het extra hard aan. Dat Roth geen zwarte man is of de ervaring van de zwarte man in de VS niet aan den lijve heeft ondervonden, staat los van de moordende overtuigingskracht waarmee de Werdegang van Silk wordt getoond.

The Human Stain is alweer twintig jaar oud. Inmiddels zijn er in het Westen nieuwe schrijvers opgestaan die in staat zijn om hun hybride identiteit tot inzet te maken van het literaire spel. De pijn van het afgesneden zijn, de pijn van het afgewezen worden, de zoektocht naar identiteit die al te vaak eindigt in morele schipbreuk; het is er allemaal. Dichterbij huis: in het werk van Karin Amatmoekrim, Murat Isik, Mustafa Stitou, Annelies Verbeke, Rachida Lamrabet is identiteit pluriform en staat ze vaak op gespannen voet met de wereld.

Avontuurlijk zelfonderzoek

Boeken als deze zijn een avontuurlijk zelfonderzoek naar wat het betekent een nieuwe mens te zijn in een oude wereld die als het op huidskleur aankomt nog 19de-eeuwse schoonheidscriteria hanteert. Schoonheid is politiek omdat het zo nauw verbonden is met kapitaal, macht en invloed. Leg de covers van het prestigieuze modetijdschrift Vogue van de afgelopen veertig jaar naast elkaar, dan zie je dat pas in de jaren negentig er zo af en toe een gekleurd gezicht opduikt.

Het westerse Verlichtingsideaal stond ervoor om alle mensen, ongeacht hun afkomst of huidskleur de ruimte te bieden, maar is niet of nauwelijks waargemaakt. Wel is er een ongegeneerde, gemakzuchtige en hongerige procedure waarin culturele uitlatingen van die zogenaamde minderheden schaamteloos worden ingezet om het eigen universele beeld te vervolmaken: de blondine met de Afrikaanse kralenketting, indianentooi of djellaba. Het zijn kralen zonder context, als het maar glimt en verkoopt. De culturen van minderheden als leuke grabbelton waar de gretige westerling naar believen uit kan putten om zijn succesvolle dromen van schoonheid, lust en winst te exploiteren.

Gaat dergelijke culturele toe-eigening alleen maar om uiterlijkheden? Wat ten grondslag ligt aan culturele toe-eigening is culturele amnesie: met gevoeligheden en nuances hoeft geen rekening te worden gehouden. Onder het mom van artistieke – lees: commerciële – vrijheid wordt de culturele hegemonie van Parijs en New York bestendigd. Het gaat echter verder dan dat. Omdat de kunsten in alles voorlopen, is culturele toe-eigening niet alleen voorbehouden aan de mode-industrie, ook in de schilderkunst en literatuur zien we daar knappe staaltjes van.

Culturele toe-eigening

De Amerikaanse auteur Lionel Shriver (1957) viel, bij een lezing in Brisbane, de critici van culturele toe-eigening aan. Volgens haar waren hun ideeën de bijl aan de stam van de creatieve verbeelding: de witte Westerse auteur werd de mond gesnoerd als het ging om het verbeelden van zwarte of etnische personages. Ze zag deze cultuurstrijd ook in het maatschappelijk leven waarin brallerige studenten niet meer met een sombrero op mochten feesten, omdat daarmee de Mexicaanse gemeenschap zou worden bespot. Tijdens haar lezing had ze een sombrero op. Shriver suggereerde misschien ongewild dat de Westerse cultuur van binnenuit werd aangevallen door een stel gekleurde onruststokers die literaire principes niet begrijpen.

Na haar lezing ontvlamde een debat: hybride auteurs kwamen in opstand in de ‘bovenkamers’ van de Wereldliteratuur. Zo ook in Nederland, mede door de discussie rond Zwarte Piet. Nederlandse auteurs met wortels in de voormalige koloniën vroegen zich af hoe realistisch zwarte personages zijn in Nederlandse romans. Welk doel dienen ze? Waar staan ze voor? Wat voegen ze toe? Karin Amatmoekrim schreef er in deze krant een groot stuk over. Zij ziet een duidelijk verband tussen Zwarte Piet en culturele toe-eigening. Het kroeshaar, de gouden oorringen en dikke lippen worden door witte mensen schaamteloos gebruikt om een stereotype zwarte af te beelden waarmee ze hun feestdagen kunnen opvrolijken.

Niet aanstellen

Tijdens een bijeenkomst dit najaar in Helmond bij een VWO-5 klas vertelde ze: ‘Met Sinterklaas bleven wij binnen.’ Zij ziet als schrijver een directe lijn naar Multatuli’s Max Havelaar waarin een witte man voor de inlander spreekt. De literatuur plaveit het pad naar gemakzuchtige stereotypen. Hybride auteurs moeten in het geweer komen om deze stereotypen af te breken, vindt Amatmoekrim.

De reflex hierop was gemakzuchtig: zwarte schrijvers moesten zich niet aanstellen. Vragen over culturele toe-eigening waren irrelevant, omdat de auteur autonoom is, de roman een kunstwerk en daarmee basta. Dat is te kortzichtig: het gaat er hier namelijk om hoe literatuur in de samenleving landt. De discussie legt een bom onder ons literatuuronderwijs, van oudsher de plek waar een jonge generatie iets meekrijgt over de Ander, en de manier waarop leerlingen zich door middel van teksten oefenen in inleven.

De Nederlandse literatuur is de afgelopen dertig jaar hybride geworden: auteurs van de tweede, derde en vierde generatie migranten verbeelden hun wereld. De grote steden van Nederland zijn multicultureel, nazaten uit de voormalige koloniën schrijven over het nieuwe Nederlanderschap. In de kern gaan deze romans over identiteit. En identiteit gaat altijd over de Blik van de Ander. Om dit gesprek goed te kunnen voeren moeten daarin ook romans worden betrokken waarin die Ander – vaak een witte, Nederlandse man van middelbare leeftijd met een zekere seksuele behoefte – zich verhoudt tot de zwarte, de allochtoon, de Ander. Zo wordt literatuur waarvoor het altijd bedoeld was: een lesje in beter kijken. Of we daar ook betere wezens van worden laat ik in het midden.

Wat ik wel weet is dat in mijn lezingen op middelbare scholen in de grote steden ik een zeer divers gezelschap aanspreek dat tot in zijn vezels getekend is door de grote omwentelingen van deze tijd, waarin alles teruggrijpt op identiteit. Ze verwachten dat literatuur hen een spiegel voorhoudt, iets wat literatuur kan. In hun honger naar representatie en beeldvorming, en hun vragen daaromtrent, zie ik een urgente zoektocht naar verbondenheid met zichzelf en de Ander.

Literatuur blijkt een veilige en spannende ruimte om grote vragen terug te brengen tot persoonlijke verhalen. Dat het dan ook moet gaan over culturele toe-eigening, omdat deze jonge mensen daar in het dagelijks leven ook mee te maken zullen hebben, lijkt me niet meer dan normaal. Voor zover normaal nog normaal is in deze tijd.