Waarom de popster ons vaker ontvalt

Rust in vrede, George Michael, David Bowie, Prince, Leon Russell, Leonard Cohen, Maurice White en al die anderen die ons in 2016 helaas ontvielen. En dat terwijl het afgelopen jaar eindelijk weer eens goed was voor de wereldwijde muziekindustrie, met een omzetstijging van naar schatting 3,2 procent.

Ook dat succes is betrekkelijk. De muzieksector is geen schim meer van wat hij eens was. Sinds de doorbraak van internet, eind jaren negentig, is hij eerst uitgehold door illegale downloads. En toen min of meer een antwoord werd gevonden via streamingdiensten als Spotify bleek het nieuwe verdienmodel in niets meer op de goeie ouwe tijd.

Naar opgave van de internationale brancheorganisatie IFPI bedroeg de wereldwijde omzet van de muziekindustrie in 2000 36,9 miljard dollar. Dat was in 2015 nog maar 15 miljard, dat is 2,5 maal zo laag. IFPI rekent daarin alle nieuwe geluidsdragers en online diensten mee.

Is dit cijfer al verdrietig, het doet nauwelijks recht aan de duistere nieuwe werkelijkheid van de platenbazen en artiesten. Want hoe hoog zou de omzet zijn geweest als de industrie tussen 2000 en 2015 gewoon was meegegroeid met de economie? Dat valt op basis van de IFPI-cijfers en IMF-gegevens over de wereldeconomie uit te rekenen: het zou in 2015 geen 15 miljard geweest zijn, maar 83 miljard. De omzet is dus weliswaar 2,5 maal zo laag, maar voelt voor platenbaas en popster als een daling van ruim 5 maal.

De neergang is overal. Hij geldt, in een vergelijking tussen 1999 en 2014, ook voor de grootste markt: de Verenigde Staten. Daar was de muziekomzet in 1999 nog 14,6 miljard dollar, en was in 2014 nog maar 5 miljard. Maar het had, bij een gelijk gebleven aandeel van de muzieksector in de economie, ruim 26 miljard kunnen zijn geweest. Nederland: 455 miljoen dollar in 1999, meer dan gehalveerd tot 205 miljoen in 2014. Dat had, als de werkelijkheid van 2000 zich had voortgezet, 968 miljoen kunnen zijn.

Popsterren worden schaars. Het oligopolie van de muziekindustrie, dat hen altijd voortbracht, is verzwakt. Het nieuwe aanbod versplintert, en markt en aandacht voor nieuwe muziek fragmenteren. De vervanging van oude door nieuwe popgiganten stokt. Er komen minder grote popsterren bij die iedereen kent, minder hits die zich in het collectieve geheugen nestelen.

Kijk maar naar de nu in Nederland uitgezonden Top-2000. Gemiddeld komen al die songs uit 1988. Dat is al best oud. Maar het is erger: hoe hoger in de lijst, hoe ouder de songs. De Top-250 komt gemiddeld uit 1987, de Top-50 uit 1986 en de Top-25 uit 1983. De popsterren die horen bij deze collectieve ervaringen – ook de jongeren kennen (uit armoe?) verbluffend goed hun klassiekers – zijn dus ouder naarmate ze vermaarder zijn. In 2016 heeft ABBA 20 noteringen in de top-2000, gemiddeld zijn de leden nu 70,5 jaar.

Zo schuift, bij gebrek aan vers bloed, het cohort van bekende popsterren langzaam naar boven in de bevolkingsopbouw. En ze sterven ook nog eerder dan de rest van de bevolking. Wetenschappers van de Universiteit van Liverpool publiceerden in 2012 het artikel Dying to be Famous in het British Medical Journal. Zij onderzochten 1.489 popsterren uit de VS en Europa die hun hoogtijdagen hadden tussen 1956 en 2006. Hun conclusie: popmuzikanten leven beduidend korter dan de rest van de populatie. Noord-Amerikaanse popsterren sterven eerder dan Europese, en solo- artiesten eerder dan leden van een band. 2016 was een rampjaar, met veel wereldberoemde popartiesten die ons ontvielen. En helaas: wen er maar vast aan…

Maarten Schinkel schrijft elke donderdag over macro-economie en de financiële markten.