Recensie

De Amsterdamse stedenbouwers in witte doktersjassen

De kuur die stedenbouwers vijftig jaar geleden Amsterdam voorschreven, was rigoureus. De binnenstad moest deels worden afgebroken. Twee boeken laten nu lezen hoe ze erop kwamen.

Twee medewerkers van de afdeling ontwerp van Publieke Werken in Amsterdam, omstreeks 1960 Foto uit besproken boek

Als de oudere ontwerpers van Amsterdamse dienst Stadsontwikkeling in Amsterdam in de jaren zestig aan het werk gingen, deden ze witte jassen aan. Dit hadden ze overgenomen van Cornelis van Eesteren (1897-1988), de stedenbouwkundige die als hoofd van Stadsontwikkeling als de geestelijke vader geldt van het beroemde Algemeen Uitbreidings Plan (AUP) voor Amsterdam uit 1935, zo blijkt uit de postuum verschenen memoires van de stedenbouwkundige Max van den Berg (1938-2006). Ze droegen doktersjassen, omdat ze zich ‘artsen voor de ruimte (hygiënisten)’ voelden, legt hij uit in ‘Jongens, maak het maar mooi’. Stadsontwikkelaar en ambtenaar in Amsterdam 1963-1986.

In de geest van de totalitaire stedenbouw van Le Corbusier hadden de dokters van Stadsontwikkeling, een afdeling van de machtige, ambtelijke moloch Publieke Werken, een rigoureuze geneeswijze voor de oude, zieke stad bedacht. Grote delen van de binnenstad moesten worden afgebroken om plaats te maken voor kantoorgebouwen en woonflats en dwars door de stad moesten snelwegen worden aangelegd om het autoverkeer ruim baan te geven.

Toen Van den Berg in 1963 als ex-student van Van Eesteren bij Stadsontwikkeling ging werken, was met de sloop van de oude stad al een begin gemaakt. Voor de verbreding van de smalle Weesper- en Valkenburgerstraat was een flink deel van de oude Jodenbuurt gesloopt. Aan andere ‘doorbraak’- en nieuwbouwplannen werkten de mannen in witte jassen hard verder. Als het aan hen lag, zou ook de Nieuwmarktbuurt op de schop gaan en de dichtbebouwde Jordaan zou grotendeels plaats moeten maken voor een park met flats.

‘De ontwerper van de Bijlmermeer was zo vastbesloten, dat grensde aan religieuze bevlogenheid’

Maar in de loop van de jaren zestig nam het verzet van Amsterdammers tegen de sloop van hun stad toe. Onder druk hiervan zette Han Lammers na zijn aantreden als wethouder van onder meer Publieke Werken in 1970 onmiddellijk een streep door de plannen voor sloopvan de Jordaan. Toch kon Lammers de macht van de dienst, waarvan de ambtenaren werkten volgens het beginsel ‘wethouders komen en gaan, maar Publieke Werken blijven altijd bestaan’, niet helemaal breken. Daar waren de Nieuwmarktrellen in 1975 en de terugkeer van Jan Schaefer, de PvdA-staatsecretaris van Volkshuisvesting, naar Amsterdam voor nodig, zoals de historicus Herman de Liagre Böhl liet zien in Amsterdam op de helling, zijn studie van de Amsterdamse stadsvernieuwing. (Boeken, 19.03.2010)

Ergernis

Van den Berg heeft zijn memoires in de laatste jaren van zijn leven geschreven uit ergernis over het beeld dat De Liagre Böhl heeft geschapen van Publieke Werken als een op hol geslagen sloopmachine die slechts door een volksopstand kon worden gestopt, zo legt de stedenbouwkundige (en redacteur van het boek) Zef Hemel uit in zijn nawoord. Publieke Werken en Stadsontwikkeling maakten hun rigoureuze plannen in opdracht van het stadsbestuur, zo wilde Van den Berg bewijzen met zijn memoires. Hierin is hij niet geslaagd: ‘Jongens, maak het maar mooi’ (een uitspraak van Van den Bergs leermeester Van Eesteren) is grotendeels een lange, saaie opsomming van beleidsplannen, -notities en ontwerpen van Stadsontwikkeling waar Van den Berg bij betrokken was. Onveranderlijk omschrijft hij die, evenals de makers ervan, als ‘kundig’, ‘knap’, ‘briljant’ en zelfs ‘visionair’. Een paar keer beweert hij dat hij als topambtenaar herhaaldelijk pleitte voor een dichtbebouwde stad. Maar uit de plannen die in het boek staan afgebeeld, zoals een niet uitgevoerde ‘reconstructie’ van de Nieuwmarktbuurt, blijkt iets anders: die laten steeds een minder dichte bebouwing zien dan de oorspronkelijke, oude stad.

In Van den Bergs chronologische relaas van de 23 jaar dat hij bij Stadsontwikkeling werkte, spelen politici en wethouders eerst slechts een rol op de achtergrond. Pas als Lammers en vooral Schaefer in de jaren zeventig wethouders zijn, gaat Van den Berg dieper in op de verhouding tussen stadsbestuur en Publieke Werken. Maar ook deze passages bevestigen juist het beeld dat De Liagre Böhl schetst. Zo schrijft Van den Berg dat wethouder Lammers behalve de sloop van de Jordaan ook verdere ‘doorbraken’ door de oude stad voorkwam. En Jan Schaefer begon zo slagvaardig en eigenzinnig aan ‘het bouwen voor de buurt’ dat hij volgens Van den Berg herhaaldelijk de ambtenaren van Stadsontwikkeling ‘schoffeerde’. Boos schrijft hij ook over het aantrekken door Schaefer van Rem Koolhaas – buiten Stadsontwikkeling om – voor het ontwerpen van een woonwijk in Amsterdam-Noord: ‘Nu is Koolhaas wellicht een goede architect, maar van stedenbouw heeft hij absoluut geen kaas gegeten.’

Merkwaardig genoeg wijdt Van den Berg weinig woorden aan de politicus die wél vierkant achter de doorbraak- en sloopplannen voor de oude stad stond: Joop den Uyl. Als machtige wethouder van Amsterdam (1963-1965) was de latere premier in de ban van de ‘modernisering’ van Amsterdam, zo blijkt uit De betonnen droom. De biografie van de Bijlmer en zijn eigenzinnige bouwmeester van journalist Daan Dekker. Den Uyl vond zelfs dat Publieke Werken te bescheiden en te kleinschalig te werk gingen. Hij drong er bij de ontwerpers van Stadsontwikkeling op aan om in de Bijlmermeer, de nieuw te bouwen woonwijk voor 100.000 inwoners, veel hogere flats te bouwen dan de gewoonte was in Nederland. Ook pleitte hij voor een geïndustrialiseerde bouwwijze met geprefabriceerde betonelementen.

Sympathie

Dekker (1984), die eerder De Brazilianen (over Braziliaanse voetballers in Nederland) publiceerde, kreeg tijdens het onderzoek voor zijn boek over de Bijlmermeer niet alleen steeds meer sympathie voor Nederlands meest verguisde en nu grotendeels gesloopte woonwijk, maar ook voor de hoofdontwerper ervan: Siegfried Nassuth. Als jongeling bracht Nassuth (1922-2006), zoon van een van oorsprong Duitse politieman op Java, drie jaar door in Japanse gevangenkampen. Na de Tweede Wereldoorlog studeerde hij in Delft stedenbouwkunde en kwam ten slotte, zoals veel ex-studenten van Van Eesteren, bij Stadsontwikkeling terecht.

Dekker heeft het levensverhaal van Nassuth, de geschiedenis van de Bijlmermeer en zijn eigen ervaringen en reportages mooi met elkaar verweven. Hoewel hij laat zien dat de kampjaren Nassuth hebben getekend, laat hij in het midden of ze van invloed zijn geweest op zijn ‘principiële’ en ‘puriteinse’ opvattingen over stedenbouw, zoals Nassuths collega Van den Berg die noemt. Wel heeft hij zo veel begrip voor Nassuth dat hij een ongunstig verhaal van architect Pi de Bruijn in twijfel trekt.

Niettemin laat hij De Bruijn uitvoerig aan het woord over hoe hij als jong lid van het Bijlmerteam eens voorstelde om de kopwoningen van de lange honingraatflats een extra raam te geven en vervolgens een met gevloek en getier gepaard gaande donderpreek van Nassuth over zich heen kreeg. Iedereen moest gelijk zijn in de Bijlmer, vond Nassuth, en dus hadden de bewoners op de kopse kanten van de flats geen enkel recht op een extra raam. ‘Nassuth was zo vastbesloten, dat grensde aan religieuze bevlogenheid’, vertelt De Bruijn. ‘Ik vond Nassuth een zuurpruim, maar ergens had ik ook wel met hem te doen.’