Met Jaap wordt New York weer New Amsterdam

cultuur

Jaap van Zweden wordt chef van het New York Philharmonic.

Jaap van Zweden dirigeert een benefietconcert voor Stichting Papageno in de RAI. Foto: Sander Koning/Kippa/ANP

Voor de feestdagen is hij nu even thuis in Amsterdam, bij zijn familie. Daar is hij zoon, echtgenoot, vader, opa zelfs. Maar iedereen die hem een beetje volgt of eerder dit jaar stukjes zag uit de 7-delige documentairereeks Een Hollandse maestro op wereldtournee, weet dat zo’n periode van relatieve rust voor Jaap van Zweden een uitzondering is. Muziek is zijn leven: drug én religie.

Jaap van Zweden (56) is „geboren op het podium”, hoor je wel eens zeggen. Omdat hij als vioolwonderkind op zijn zevende zijn eerste concerten gaf op de kaartclub in Amsterdam-West. Op zijn 19de was hij concertmeester van het Concertgebouworkest, waar hij werkte met talloze wereldberoemde dirigenten. Tot Bernstein hem vroeg het dirigeerstokje even over te nemen. De vonk sloeg over, Van Zweden ging dirigeren. En zijn Strad? Die bleef voortaan in de kist. Van Zweden doet iets grondig – of niet.

Via het Residentie Orkest, De Filharmonie in Antwerpen en het Radio Filharmonisch Orkest klom hij op naar chef-dirigentschappen bij het Dallas Symphony Orchestra en het Hong Kong Philharmonic. Met dat laatste, zijn gekoesterde „oosterse kind”, bracht hij net een prachtige opname uit van Wagners opera Die Walküre: subtiel en gloedvol gespeeld; een visitekaartje van Van Zwedens kwaliteiten als orkestbouwer die weet hoe je van goed veel beter maakt.

Daarop berust, in vogelvlucht, zijn carrière. Alle orkesten waar hij chef was, liet hij beter achter. Ross Perot noemde hem daarom „het mooiste dat het Dallas Symphony ooit is overkomen”, maar Van Zwedens perfectionisme is niet gratis. Figuurlijk, want sommige musici verdroegen zijn explosieve intolerantie voor imperfectie slecht, wat leidde tot de nodige strubbelingen. Letterlijk, want Van Zweden was vorig jaar met een salaris van 5 miljoen dollar de best verdienende Amerikaanse chef ever.

Een sleuteljaar bleek 2012. Van Zweden dirigeerde het New York Philharmonic, ooit orkest van Bernstein en Mahler. Op het programma: Mahlers Eerste symfonie, muziek waarmee hij bij zijn andere orkesten, onder meer in Enschede, al indruk had gemaakt door de dramatiek en de wendbare theatraliteit van zijn interpretatie. Er was een „enorme klik”, zegt hij zelf. „Heel veel musici zeiden later: na die Mahler wisten we dat jij onze nieuwe chef moest worden.”

Voor wie die voorgeschiedenis niet kende (en wie kende die wél?) kwam het nieuws van januari dit jaar als een grote verrassing: na onder anderen Mahler, Mengelberg, Toscanini, Bernstein en Boulez wordt Jaap van Zweden per 2018 music director van het New York Philharmonic – een van de felst begeerde dirigentenbanen ter wereld. Triomf! Van Zweden deed zijn critici huiveren en zijn fans opspringen: he made it.

Want critici, die heeft hij. In de VS waren de reacties verdeeld, en een beetje verbaasd. The New York Times noemde hem een „te voorspelbare” keuze: „een solide, gedisciplineerde, middelbare Europese maestro”. Muziekblogger Norman Lebrecht sprak botweg van de verkéérde keuze. De kandidatenlijst miste de grote namen die in Europa rouleren, en was een vrouw niet óók goed geweest, of een dirigent van niet-westerse komaf?

In Nederland ligt de receptie van Van Zweden iets complexer. Jaap is de boy next door die van driehoog verhuisde naar een kasteel. Die vrijuit praat met NRC én Privé. Die altijd al lastig in een hokje paste, en in alles ook zo merkwaardig voorlijk was: als violist (vanaf zijn 5de), concertmeester (19), huwelijk (22), opa (54). Een verklaard Ajacied bovendien, mét bijbehorende Amsterdamse tongval. Hoogintelligent – in IQ en EQ – waardoor analytisch handelen hem net zo soepel afgaat als borrelen met sponsors.

Die mix van talent, lef, botheid en ongrijpbaarheid heeft Van Zweden bekocht met een zeker kritisch wantrouwen. Bij het Concertgebouworkest keert hij in mei terug, maar daarop werd sinds de laatste keer negen jaar gewacht – Van Zwedens hele internationale bloeitijd.

En toch maakt juist dat bonte palet aan eigenschappen dat de toekomst Van Zweden lijkt toe te lachen, welke uitdagingen in New York (lastige musici, dure zaalrenovatie) ook op hem wachten. Een 21ste-eeuwse chef moet zalen uitverkopen op charisma, sponsors charmeren bij wedstrijden van de Yankees, kortom: de benaderbare frontman zijn van een orkest in een stad met veel gezichten. Van Zweden heeft die vele gezichten zelf óók. Juist daarom is zijn benoeming mogelijk een match made in heaven. En voor de Nederlandse cultuur is het dat zéker. Andriessen gaat een nieuw orkestwerk componeren, Van Zweden gaat Nederlandse musici uitnodigen: New York wordt weer een beetje New Amsterdam.