Recensie

Koos Meinderts schrijft verfijnd en kalm over oorlogskinderen

Er staan aangrijpende dingen in Naar het noorden, al meteen in de eerste hoofdstukken. ‘We kregen een zusje, een naamloos zusje zonder gezicht. Nou niet het zusje waar Nel op had gehoopt’, vertelt de jonge Jaap dan, met een understatement en daardoor aangrijpend-met-een-omweg. Hun moeder is bevallen van een doodgeboren kind – ze was tijdens de zwangerschap vel over been, namelijk. Het meisje wordt begraven in een schoenendoos, zodat ze hout voor de kachel kunnen sparen – het is de Hongerwinter, namelijk.

Eerst het menselijke verhaal, dan pas de grotere context: zoals de Tweede Wereldoorlog voor de grote grijze massa ook gevoeld moet hebben. Zij zaten beschut in hun huizen en kampten met tekorten en gebreken, niet met gevechtshandelingen die rommelden in de verte.

Bezetters in de bijrol

Het draait in Koos Meinderts’ nieuwe kinderboek om stadskinderen Jaap en zijn zus Nel en broertje Kees, die in de winter van 1944 naar Friesland worden gestuurd om op veilige boerderijen aan te sterken, om de bezetting überhaupt te overleven. Wat er verder gebeurde met de Duitse bezetters en de Jodenvervolging is in Naar het noorden naar een radicale bijrol gedrongen.

Met het vooropgestelde menselijke aspect doet Meinderts’ roman denken aan twee grote, gedenkwaardige oorlogskinderboeken van deze eeuw: Winterijs (2001) van Peter van Gestel en het recente, monumentale Oorlog en vriendschap (2016) van Dolf Verroen. De oorlogsomvang teruggebracht tot persoonlijke proporties, en geweldig verfijnd, literair geschreven – daarin zijn die boeken hoogtepunten. Hetzelfde geldt voor Meinderts, op één punt na: Van Gestel en Verroen markeerden momenten in de oorlogsoverlevering. Winterijs legde de onverschilligheid van niet-Joden over de Holocaust bloot, Oorlog en vriendschap kleurde de eindeloze grijstinten tussen goeden en kwaden in. Dit is wat we onze kinderen vertellen over de oorlog, de tijd is er rijp voor.

Wrange melancholie

Meinderts vaart zijn eigen koers en houdt het klein, en maakt daardoor niet zo’n verpletterende indruk. Hij vertelt ook kalm, waardoor het verhaal wel wat tempo ontbeert, soms kabbelt het, soms kabbelt het behoorlijk. Maar in het kleine schuilt ook Meinderts’ kracht, en zijn eigenheid. Het zijn de momenten die beklijven: hoe Jaap en Nel een surrogaat-babyzusje proberen te beschermen op de boot naar Friesland, hoe Jaap eenmaal aangekomen veilig is maar ook als buitenstaander gepest wordt, en hoe het einde van de oorlog niet alleen bevrijding, maar ook de terugkeer naar een gehavende, ongelukkige stad betekende.

Zulke wrange melancholie is typisch Meinderts (zijn meesterlijke jeugdroman De zee zien (2015) is ervan doordrenkt). Dát maakt Naar het noorden toch vooral waardevol: Meinderts onttrekt deze kant van de oorlog aan de vergetelheid, omdat niemand anders het zo had kunnen opschrijven.