Kamikaze-lef en erotische handbalsters

Het sportjaar 2016

Columnist Hugo Camps blikt terug op een Lutheriaans drama, een woestijnbloem en diva van de piste.

Illustratie: Ruben L. Oppenheimer

Wat moet je met een jaar dat ons beroofd heeft van Johan Cruijff en Muhammad Ali? Ook nog een jaar waarin de muziek doodging? Instant bestaat niet in sport, helden zijn niet inwisselbaar.

De dood van Cruijff in de lente van 2016 blijft een Lutheriaans drama. De gebroken eenheid tussen het ego en de wereld in één klap onherstelbaar geworden.

Cruijff was de alternatieve vader des vaderlands. Cultuurschepper die zijn klompenland transformeerde tot een speelse pirouette van kunst en wetenschap. De vrije antennes die hij tijdens het spreken door de schouders liet schuiven, waren van een raadselachtige schoonheid. Een statement van onafhankelijkheid en eigenzinnigheid.

Ik zat met vrienden aan een warme lunch toen zijn verscheiden werd aangekondigd. Ik hoor nu nog de stilte die als een loden jas over de tafel viel. We hadden niets meer tegen elkaar te zeggen. Alleen nog dit: „We zijn allemaal wees geworden.”

Geen voetballer was meer leermeester dan het Amsterdamse genie uit Betondorp. De Hollandse school is gebouwd op het intuïtieve inzicht van Cruijff. Op de glorie van zijn anarchie. Het jaar dat de Verlosser ons verliet, zal nooit nog zonder rouwband zijn.

De tweede legende die ons ontviel, was Muhammad Ali. Boks- en danswonder met een indringende maatschappelijke betekenis. Kunstwerk in de ring, geweten voor de samenleving. De emancipatoire uitstraling van Ali benaderde die van Martin Luther King. Hij gaf de Afro-Amerikanen een identiteit die het materiële comfort ver oversteeg.

Zelf begon hij gehavend aan zijn oude dag, zij het nog steeds met de glans van een oude viool. Als bokser was er geen betere. Muhammad Ali is niet op te delen in jaartallen, over hem moeten we in eeuwen denken.

2016 was een olympisch jaar en Nederland deelde voluit in de medailleoogst. Met bij de vrouwen vijf olympische kampioenen: Sanne Wevers, Anna van der Breggen, Marit Bouwmeester, Sharon van Rouwendaal en Elis Ligtlee. Daarnaast Dafne Schippers als diva van de piste.

Ploeg met individuele briljantjes

De handbalsters van Oranje waren pas vierde op de Spelen, maar zijn ontegensprekelijk de ploeg van het jaar. Het spektakel dat de handbalvrouwen recent op het EK vertoonden, was meeslepend, esthetisch en erotisch. Een sportploeg als een wervelwind. Met Nycke Groot, Estavana Polman en Tess Wester als individuele briljantjes.

Het Nederlandse vrouwenhandbal is op de Europese kaart gezet. Wat eens een stiefmoederlijke discipline was, kan uitgroeien tot de trots van Oranje. De genereuze harmonie van de meiden is een voorbeeld voor elke teamsport. De handbalsters waren nog net geen commune. In hun viriele spel hebben ze de mannen ver achter zich gelaten.

Ze is alweer bijna vergeten, maar 2016 was ook het jaar van Kiki Bertens. Beter gezegd: de zomer van Kiki. Zoals ze in juni in de halve finale van Roland Garros speelde tegen Serena Williams leek het weer of Nederland een tennisland was. Wat het al jàren niet meer is. Maar ineens was daar Bertens. Blond en gezond, een dame die van geen opgeven wilde weten.

Van ontzag voor de nummer één van de wereld was geen sprake. Bertens stond vrij en vrolijk op de baan en capituleerde pas bij het vierde matchpoint. Op de persconferentie zat ze erbij alsof ze had gewonnen – extase van zelfvertrouwen.

Voor het eerst in jaren was Nederland even in de ban van een tennismeisje. Sommigen droomden al luidop van een carrière à la Kim Clijsters en Justine Henin. Maar misschien was Kiki in Parijs te diep gegaan. Weinig lukte nog in de toernooien die volgden. Ze deemsterde weg. Maar de hoop van de natie die zij aan haar rokje had hangen, was hoe dan ook een emotioneel intermezzo.

Kiki Bertens zal er niet voor de eeuwigheid zijn, maar de dagen op Roland Garros waren onvergetelijk. Als een bloem in de woestijn stond ze op en verwelkte weer. Het volk trilde na in golven van sympathie en warmhartigheid. Dat ze vandaag wellicht op straat niet meer herkend wordt, doet niets af aan de vreugde om haar atomische verschijning.

Zelden iemand gelukkiger gezien dan Robert Gesink na zijn overwinning op de Col d’ Aubisque in de Vuelta. De klimmer uit Varsseveld is nochtans geen lachebekje. Hij blaakt ook niet van zelfvertrouwen, maar deze wedergeboorte kon hij niet negeren. De Aubisque bevrijdde hem van malheur en misère. Er gloorde eindelijk weer iets van de kampioen. De bescheiden en gelouterde renner straalde in alle kleuren van de regenboog toen hij over de meet kwam. Hij wou dansen, maar vond dat toch net iets te roekeloos.

Lees ook: Interview met Robert Gesink: “Ik heb laten zien dat er nog meer in mij zit.”

Het Nederlandse wielrennen is aan een comeback bezig. Met voorop Tom Dumoulin natuurlijk, maar ook met een knap seizoen van Gesink. Zelfs laat in het jaar, in de Ronde van Lombardije, had hij nog honger. De tot knecht gedegradeerde kopman is aan een nieuw leven begonnen. Althans, dat mag ik hopen.

Elke inhaalrace van Max Verstappen is een bijna-doodervaring. De sensatie die de Limburgse F1-coureur het afgelopen seizoen heeft gebracht, overstijgt sportrubrieken. Verstappen is een wereldster geworden. Tegelijk superieur en controversieel in zijn roekeloosheid. Maar zijn talent liegt niet, zijn kamikaze-lef ook niet.

Gewekt door een iconische roep

Er zit geen vezel Limburgse bescheidenheid meer in zijn lijf. Max is gewekt door een iconische roep en dat laat hij in elke race zien. Als het moet, gaat hij dwars door de muur heen. Meer dan wie ook is hij de terechte Sportman van het jaar. Niet alleen sportman, ook persoonlijkheid. Zijn vader Jos blijft een risico voor de uitbouw van zijn carrière, maar dan nog wenkt een gouden toekomst in de mondaine wereld van het racen.

Feyenoord lonkt naar hulde en applaus, maar het is nog iets te vroeg om de rode loper uit te rollen. De laatste weken zijn wel hoopgevend.

Lees ook: Profiel Giovanni van Bronckhorst: Een bedachtzame gentleman, maar keihard als het moet.

Het miserabelste moment van 2016 was de verbanning van turner Yuri van Gelder uit de olympische ploeg. De specialist op de ringen werd een finale ontzegd door chef de mission Maurits Hendriks. Wie zich een beeld probeert te vormen van een intrigant moet bij deze bobo zijn. De lege woorden die het visitekaartje van NOC*NSF na het incident voor radio en televisie uitkraamde, waren van een stuitende diarree. Hendriks zwetste er op los om zijn hypocriete stoep schoon te vegen. Alweer een bobo zonder waardigheid.