Een halve eeuw doelpunten halen

50 jaar Langs de Lijn

Radioprogramma Langs de Lijn bestaat vijftig jaar. Het is snel schakelen tussen sporten en velden – zonder draaiboek.

Tom van 't Hek (rechts) en Toine van Peperstraten tijdens de 10.000ste uitzending van Langs de Lijn in 2012. ANP / Frank van Beek

Hij noemt het ‘een doelpuntje halen’. Bram Gaillard, al zo’n twintig jaar regisseur bij NOS Langs de Lijn, heeft elke sportzondag meerdere wedstrijden onder de knoppen en schakelt onmiddellijk over als er iets gebeurt. Dat kan middenin een liedje zijn, tijdens een studiogesprek, of als een andere commentator aan het woord is. Sinds anderhalf jaar is het zelfs mogelijk om tijdens nieuwsbulletins over te schakelen naar een live sportverslag. Alleen de STER-reclame blijft immuun; daaromheen kan elk onderdeel ieder moment worden onderbroken.

Het is hét kenmerkende van NOS-instituut Langs de Lijn, dat zondag zijn vijftigste verjaardag vierde. Destijds, vóór 1967, hadden verschillende omroepen hun eigen sportprogramma op de radio. Langs de Lijn bracht legendarische radionamen voort als Theo Koomen, Willem Ruis en Koos Postema; met die laatste werkte Gaillard zelf nog samen. Naast de snelheid van het langs de sporten ‘flitsen’ wordt Langs de Lijn gekenmerkt door ‘middle of the road’-muziek (hoogstens drie of vier platen per uur, en vaak wordt het einde dus niet eens gehaald) en de tune: sinds 1974 is dat Chump Change van Quincy Jones.

Langs de Lijn (en dan vooral de zondagmiddaguitzending) groeide uit tot het met afstand best beluisterde sportprogramma van de Nederlandse radio – al dalen de luistercijfers sinds (live) voetbal op tv gemeengoed werd. In de jaren 70 waren het er met regelmaat 3 miljoen luisteraars, eind jaren tachtig gemiddeld 2,3 miljoen. Vier jaar geleden, toen de tienduizendste uitzending reden voor een feestje was, sprak de NOS van een half miljoen luisteraars. Nu zijn het er ongeveer 480.000 per zondag. Gaillard: „Maar wat we niet weten, is hoeveel er luisteren via internet, of via hun tv, of via een appje op hun telefoon.”

Niet stoppen met praten

In Hilversum zit Gaillard elke zondag achter een bord met groene knopjes. Daaronder zitten de verslaggevers van de dag. Vóór de uitzending heeft hij er stukjes tape met namen boven geplakt, zodat hij weet wie waar zit. Zelf hoort hij ze allemaal tegelijk. Ze roepen buiten de luisteraar om naar hem: ‘Bram, doelpunt hier!’ Of hij ziet het zelf al, op een van de vier tv’s die in de studio hangen. Gaillard laat presentatoren Henry Schut en Hugo Borst weten dat het schuifje naar een wedstrijd opengaat, zij kondigen kort aan en de commentator kan de luisteraar beginnen bij te praten.

Zoals Arman Avsaroglu, die nu zo’n 3,5 jaar voor de NOS werkt. „Als er iets gebeurt, roep ik over de lijn naar Bram.” Daarnaast schakelt het programma langs de velden voor reguliere updates. „Tweeënhalve minuut is standaard”, zegt Avsaroglu. „In het begin stopte ik wel eens met praten, maar daarmee maakte ik het Bram moeilijk. Les één van radio is: val niet stil. Hij roept zelf wel dat ik moet afronden.”

Gaillard kijkt ondertussen zelf naar de beelden, dus hij weet wanneer ‘afronden’ handig is. „Als de keeper een bal heeft, of bij een uitgooi.” Het leukst is het, zegt hij, als het doelpunt niet hoeft te worden ‘gehaald’, maar live in de uitzending valt. „Dat probeer je voor elkaar te krijgen door bijvoorbeeld voor een vrije trap even over te schakelen.”

Drie miljoen luisteraars

Het hoogtepunt uit de recente geschiedenis, beaamt ook Gaillard, was de eredivisie-ontknoping van 27 april 2007, toen AZ, Ajax én PSV nog kampioen konden worden en het op doelsaldo beslist werd. PSV won na meerdere plottwists de landstitel; Langs de Lijn trok ouderwets ruim drie miljoen luisteraars.

Dat was ook het ultieme voorbeeld van wat het format sterk maakt: dynamische en onvoorspelbare radio. „Het is snel schakelen, en dat werkt lekker op de radio”, zegt Avsaroglu. „Zou je de formule veranderen, dan moet je denken aan meer analisten in de studio of iets dergelijks. Maar dan doe je af aan de verslaggeverij, terwijl het juist een van de weinige Radio 1-programma’s is die niet leunen op studiogesprekken.” Gaillard: „Je weet nooit wat er gaat gebeuren. We hebben geen draaiboek.” Niet zelden zijn er vijf tot tien sportwedstrijden waar de studio mee in constante verbinding staat.

Of dat het allemaal geen uitputtende exercitie maakt? Nee hoor, dat valt mee. Ook voor de verslaggever niet. „Kom op hé, we zitten gewoon en we praten wat”, zegt Avsaroglu, wiens persoonlijke hoogtepunt de ontknoping van vorig seizoen was. Ajax móest toen winnen bij De Graafschap om kampioen te worden, maar worstelde en bleef op 1-1 steken. Avsaroglu was de verslaggever van dienst en zijn schuifje stond vrijwel onophoudelijk open, want op andere velden was het allang gespeeld. En hij raakte zijn stem ook nog kwijt. „Toen was ik wel kapot, ja.”