Recensie

De muze van de roddelpers

Mathilde Willink (1938-1977)

In de jaren zeventig was ze behalve de vrouw van schilder Carel Willink ook een mobiel kunstwerk. Veertig jaar na haar dood is er eindelijk een serieuze biografie.

Foto ANP

Denk aan Iris Apfel, de hoogbejaarde New Yorkse paradijsvogel. Of denk aan Lady Gaga en haar uitzinnige uitdossingen. Zó kleurde Mathilde Willink in de jaren zeventig het straatbeeld van Amsterdam. Een levend kunstwerk, immer gehuld in sprookjesachtige, tot de navel gedecolleteerde creaties van Fong Leng, gecombineerd met hysterische make-up en dik, blond haar, dat nog dikker was gemaakt met strengen haar van Noorse nonnen.

Waar Mathilde verscheen, knisperde het meteen van de energie. Passanten stopten en keken haar na, trambestuurders waarschuwden passagiers: ‘Alle ogen naar rechts, daar loopt Mathilde!’

Na haar mysterieuze dood verschenen honderden artikelen en diverse boeken over Mathilde. Ze leefde voort in documentaires, in liederen en een muziektheatervoorstelling. Alleen een serieuze biografie ontbrak. In die leemte is nu voorzien door schrijver en beeldend kunstenaar Lisette de Zoete. Mathilde. Muze, Mythe, Mysterie is een mooi geïllustreerd en prettig geschreven boek, waarin nieuwe feiten naar voren komen.

Mathilda Maria Theodora de Doelder wordt in 1938 in Terneuzen geboren. Als kind etaleert ze al een voorkeur voor pracht en praal. Tilly wordt ze genoemd, ‘Tilly uit Terneuzen.’ Ze valt op oudere mannen. Als 16-jarige wordt ze verliefd op haar geschiedenisleraar. Die doet haar niet veel later een huwelijksaanzoek. Ze slaat het aanbod af en vertrekt naar Amsterdam, om kunstgeschiedenis en klassieke talen te studeren, althans, dat beweert ze. Ze wordt administratief medewerkster en krijgt een verhouding met een veel oudere psychotherapeut. Die stelt haar voor aan zijn vriend Carel Willink. De volgende dag meldt Mathilde zich opnieuw bij de 38 jaar oudere kunstenaar. Ze noemt hem ‘lieveling.’

Uit de mode

Willink, op dat moment een uit de mode geraakte schilder, slaat de adviezen om de jonge Zeeuwse te mijden in de wind. Hij noemt haar ‘een superpoes, een mooi ding om in huis te hebben’. Mathilde op haar beurt zegt: ‘Ik heb sterke mannen nodig. Slechts uit hun kracht kan ik de kracht putten mezelf te worden.’

Maart 1963 trekt ze bij hem in. Willink, die krap bij kas zit, gebruikt zijn connecties om haar aan een baan als stewardess te helpen. De bedrijfspsycholoog van KLM noemt Mathilde een onberekenbare persoonlijkheid, maar vijf jaar lang blijkt ze een voortreffelijk gastvrouw aan boord en is ze kostwinner.

In 1969 trouwen Willink en zijn jonge muze. De extravagante Mathilde ontpopt zich als een levende reclamezuil voor haar man. Door alle publiciteit krijgt Willink weer tal van portretopdrachten.

De schilder steekt zijn vrouw graag in de kleren. Al flanerend door de P.C. Hooftstraat bezoekt het echtpaar in het voorjaar van 1971 de net geopende studio van mode-ontwerpster Fong Leng. Mathilde wordt op slag verliefd. ‘In een creatie van Fong-Leng kan ik eindelijk van mijzelf de vrouw maken die ik werkelijk wil zijn’, zegt ze. In minder dan vijf jaar tijd doet ze 37 aankopen (kosten 10.000 tot 30.000 gulden per stuk).

In haar Fong Leng-jurken groeit Mathilde uit tot modekoningin van de stad. De roddelbladen raken niet over haar uitgeschreven. Mathilde geniet van haar rol als mobiel kunstwerk.

Het huwelijk van Mathilde spat uiteen in de zomer van 1975. Als ze thuiskomt van een reis met Fong Leng vertelt haar man dat hij een verhouding heeft met de 31-jarige kunstenares Sylvia Quiël. De avond dat hij voor het eerst niet thuis komt slapen, snijdt Mathilde twee van zijn lievelingsdoeken aan flarden.

Mathilde huilt uit bij kunstenaar Anton Heyboer en zijn vier bruiden. Een poging om in New York Salvador Dalí te verleiden, strandt op de beschermende houding van diens echtgenote. Mathilde betrekt een Spartaans gemeubileerd appartement, en knoopt ongelukkige verhoudingen aan. Hoe groter haar eenzaamheid, concludeert De Zoete, hoe meer aandacht Mathilde in de media krijgt. Van de muze van Willink is ze de muze van de roddelpers geworden.

De onverkwikkelijkheden schakelen zich daarna snel aaneen. Op de verjaardag van Pistolen Paultje, een wapenhandelaar, raakt ze bevriend met auto- en drugshandelaar ‘Don Vito’. Hij is het die Mathilde op 25 oktober 1977 levenloos aantreft in haar hemelbed. Ze heeft een pistool in haar hand en een kogelgat in haar slaap. Zelfmoord of moord? Eindeloos is er over gespeculeerd en ook De Zoete komt er niet uit.

Sommige vrienden weten zeker dat ze is vermoord omdat ze te veel wist over het milieu waarin ze verzeild was geraakt. Over drugstransacties, de toedracht van de moord op een politieman, de op handen zijnde ontvoering van zakenman Maup Caransa. Andere gesprekspartners van de biograaf wijzen op interviews waarin Mathilde preludeerde op zelfmoord. ‘Op een bepaald moment moet je constateren dat je aan je plafond zit. Dat je niets meer van de toekomst hebt te verwachten’, zei ze tien dagen voor haar dood tegen weekblad Margriet. Een langzaam einde met pillen en drank, vond ze zielig. Nee, dan liever het snelle einde, en ‘in volle glorie onsterfelijk worden.’

    • Arjen Ribbens