Interview

‘Ik heb nooit een normale popsong geschreven’

Rufus Wainwright

Door Verdi’s ‘Requiem’ veranderde hij in een operafanaat. Nu gaat de zanger op tournee met Amsterdam Sinfonietta. „Mijn liefde voor klassieke muziek had een element van rebellie in zich.”

Foto Andreas Terlaak

Rufus Wainwright (43) is verkouden en bevangen door jetlag als hij aanschuift voor een toelichting bij het repertoire dat hij in januari zal zingen op zijn tiendaagse Nederlandse tournee met Amsterdam Sinfonietta. De Canadees-Amerikaanse zanger, pianist, songwriter en operacomponist praat snotterend maar begeesterd over de mix van pop en klassiek die hij in januari ten gehore zal brengen.

Behalve werk van Verdi en Berlioz omvat het repertoire ook songs van zijn vader Loudon Wainwright III, moeder Kate McGarrigle en tante Anna McGarrigle. De eerste repetitie zit er net op als Rufus vertelt hoe Sinfonietta’s concertserie Breder dan klassiek hem op het lijf is geschreven.

Het thema van uw gezamenlijke concerttour is ‘All I Want’, een song van Joni Mitchell. Hoe veelzeggend is die titel?

„Omdat de tour in januari plaatsvindt, dachten we eerst aan winter als thema. Of juist het voorjaar, om naar uit te kijken. Franstalige muziek, ook een mogelijkheid. Toen we daar niet uitkwamen dacht ik: waarom doen we niet gewoon de stukken die ík graag wil zingen? Verschillende genres, verschillende talen, verschillende componisten en songschrijvers die ik hoog acht. ‘All I Want’ vat het allemaal mooi samen. Mijn echtgenoot Jörn (Weisbrodt) is een diehard fan van Joni Mitchell. In mijn jeugd was het bij ons thuis verboden om haar muziek te draaien, omdat mijn moeder jaloers was op haar succes. Nu zij (Kate McGarrigle, overleden in 2010) er niet meer is, kan ik zonder schroom mijn bewondering voor Joni als songwriter tonen.”

Uw ouders kwamen uit de folkhoek. Kreeg u de liefde voor klassiek en opera van huis uit mee?

„Genoeg om te weten dat het bestond. Bach gespeeld door Glenn Gould was een hit bij ons thuis. Kamermuziek hoorde bij mijn opvoeding, net zoals de folksongs die gespeeld werden bij familiebijeenkomsten. Opera kende ik van de Canadese radio, waar grote tenoren als Plácido Domingo en Luciano Pavarotti door de oudere generatie nog werden gezien als popsterren. De aria’s die ik ze hoorde zingen kon ik pas later thuisbrengen als onderdeel van een groter geheel. Op mijn dertiende hoorde ik Verdi’s Requiem voor het eerst. Ik werd er compleet door gevloerd. In twee uur tijd veranderde ik van een naïeve schooljongen in een onverbeterlijk operafanaat.”

Behalve stukken van Verdi zingt u met Sinfonietta een aria uit ‘Castor & Pollux’ van Jean-Philippe Rameau. Hoe verhoudt zo’n stuk uit de achttiende eeuw zich tot de popmuziek van nu?

„De opwinding die er voor mij uit spreekt is vergelijkbaar. Rameau is dynamisch en melodieus; daar hebben we dit speciale gedeelte uit zijn opera op uitgezocht. Sinfonietta kwam met het verrassende voorstel om een doorlopend geheel te maken van klassieke melodieën en popsongs, in sommige gevallen met vloeiende overgangen tussen muziekstukken die uit verschillende eeuwen stammen.

„Voor mij is deze tour een groot experiment waar ik zonder voorbehoud aan begonnen ben. Ik laat me volledig leiden door de natuurlijke flow van de muziek. Ik wist niet wat ik ervan verwachten moest, maar na de eerste repetitie ben ik enthousiast over de samenwerking met deze fantastische muzikanten. Het klikte meteen.”

De tekst gaat verder na de video

‘Foolish Love’, de eerste song van uw eerste album uit 1998, heeft een weelderige orkestpartij. Zat die wens er bij u altijd al in?

„Zeer zeker. Mijn liefde voor klassieke muziek had om te beginnen een element van rebellie. Folk en rock waren de standaard bij mijn opvoeding en mijn vader vond klassiek helemaal niks. Het deed hem denken aan de muziek waar zíjn vader naar luisterde en daar had hij zich nadrukkelijk tegen afgezet. Ik vond mijn vader een cultuurbarbaar en zette me af tegen zijn slechte smaak, totdat mijn rebelse gedachten plaatsmaakten voor een oprechte passie voor klassieke muziek.

„Ik studeerde een tijdje aan het conservatorium, waar ik spoedig uitgekeken raakte op muziektheorie en het urenlang spelen van etudes op de piano. Eén ding had ik al snel in de gaten: als popzanger zou ik veel meer lol hebben. Toen ik platen begon te maken heb ik me altijd gerealiseerd dat er een ontbrekende schakel is tussen pop en klassiek, en dat ik het gereedschap in huis heb om de brug te slaan.”

Mijn liefde voor klassieke muziek had om te beginnen een element van rebellie

In 2009 ging uw opera ‘Prima Donna’ in première. Hoe groot was de stap van zanger van popliedjes naar operacomponist?

„Het móést ervan komen. Ik wilde niet eindigen als een verbitterde singer-songwriter die altijd nog eens een opera had willen schrijven. De computer maakte het mogelijk om partijen op een keyboard te spelen en onmiddellijk te horen hoe ze zouden klinken als ze gespeeld werden door houtblazers, violisten en andere onderdelen van het orkest. Die vlotte werkwijze komt overeen met het bedenken van een popsong, veel meer dan de manier waarop een ouderwetse operacomponist omstandig alle partijen zou hebben uitgeschreven. De technologie stelde mij dus in staat om Prima Donna in een korte tijd te voltooien. Dat het niet zomaar een hobbyproject was, mag blijken uit het feit dat ik de opdracht binnen heb voor een tweede opera.”

Is de popsong een stijlvorm die te beperkt voor u is geworden?

„Ik heb me nooit aan de regels van de doorsnee popsong gehouden. Veel van mijn liedjes hebben geen gewone refreinen of songstructuur. Pop is een van de genres waarmee ik me probeer te ontplooien, bijvoorbeeld in de twee liedjes op het nieuwe album van Robbie Williams. Met mijn dierbare vriend Neil Tennant van de Pet Shop Boys heb ik levendige discussies over het diepere wezen van de popsong, een discipline waarin hij veel beter is dan ik. Hij kan me met leedvermaak onder de neus wrijven dat ik er nog nooit in geslaagd ben een normale popsong te schrijven.”

Bij de repetitie kon ik mijn tranen nauwelijks bedwingen

Het nummer ‘Go Leave’ van Kate McGarrigle bevat schrijnende verwijzingen naar het stukgelopen huwelijk van uw ouders. Houdt u het droog als u dat tien avonden aaneen gaat zingen met Sinfonietta?

„Bij de repetitie kon ik mijn tranen nauwelijks bedwingen. Niet alleen om de herinneringen die het bij me oproept. Vooral omdat de melodie zo prachtig samengaat met de rauwe emotie die mijn moeder in de tekst heeft gestopt. Mijn zusters Martha en Lucy en ikzelf mogen ons gelukkig prijzen met onze muzikale ouders. Het heeft ons een zetje gegeven bij onze artistieke carrières. Ik diep nog graag juwelen op uit de schatkist aan songmateriaal die mijn ouders bij elkaar hebben geschreven. Telkens als ik ‘Go Leave’ zing, of de liederen van mijn vader en tante Anna McGarrigle die ik tijdens deze tournee ga vertolken, daal ik af tot in de diepste krochten van mijn ziel.”