Recensie

Bij wie hoort de baard?

Vooroordelen

Hoe bevooroordeeld ben jij? Die steeds bekendere vraag is nu aangeland op een opmerkelijke tentoonstelling in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Een flink deel van de in omvang wel bescheiden expositie is gewijd aan het verleden.

Uit de eigen collectie zijn voorwerpen en teksten opgediept die laten zien hoe gewoon antisemitisme in Nederland voor de Tweede Wereldoorlog was; tijdens het touwtjespringen zongen kinderen bijvoorbeeld een liedje over een jood die in een pot gekookt werd: ‘Toen die jood op tafel kwam/ waren er bruine korstjes an’.

Stereotiepe afbeeldingen en teksten over joden behoren ook tot het cultureel archief van deze samenleving en het is goed dat die daar soms weer uit worden gelicht.

De expositie gaat niet alleen over joden; hij laat juist overtuigend zien hoe kenmerken die ooit stereotiep waren voor de ene groep bij een heel andere groep kunnen gaan horen. Neem bijvoorbeeld de volle baard. Die was in de negentiende eeuw zo met joden verbonden dat een in 1842 in Zuid-Amerika ontdekte aap officieel de naam ‘jodenaap’ kreeg. Op de expositie hangt een mooie prent van deze ‘Pithecia Israelita’.

Maar de baard wordt nu in Nederland eerder met orthodoxe moslims geassocieerd, al hebben die er ook geen alleenrecht op. In de buurt van de jodenaap hangt een knipsel uit een Amerikaanse krant met een foto van een man met een baard die een blauw oog is geslagen en de kop: ‘I’m not Isis… I’m hipster!’ En dan is er nog een moderne vrouw met een baard.

Op de tentoonstelling is tevens een fragment te zien uit de nazipropagandafilm Der Ewige Jude (1940), waarin Oost-Europese joden zich ‘vermommen’ als westerlingen, door onder meer hun baarden af te scheren.

Ook hoofddoekjes blijken bij meerdere groepen te kunnen horen. In de jaren vijftig waren ze hier al eens populair, laten oude foto’s zien. Het museum had nog verder terug in de tijd kunnen gaan. In de zeventiende eeuw was de haik hier in de mode, een uit Noord-Afrika afkomstig lange mantel die ook het gezicht bedekte, onder meer te zien op de ‘oer-Hollandse’ schaatsschilderijen van Avercamp.

Behalve over baarden en hoofddeksels zijn er nog kleine zaaltjes over neuzen, ogen en stemmen. Huid ontbreekt verrassend als thema. Zou het museum de Zwarte Piet-discussie buiten de deur willen houden? Of werd de huid als focus voor vooroordelen te voor de hand liggend gevonden? Binnen de verschillende thema’s wordt wel enige aandacht aan huidskleur besteed; naast het liedje over de jood in de pot klinkt bijvoorbeeld ‘Moriaantje zo zwart als roet’. En een zwarte vrouw is een van de vijf geportretteerden over wie de bezoeker aan het begin van de tentoonstelling vragen kan beantwoorden als ‘Bij wie zou je het liefst gaan eten?’ en ‘Met wie sta je liever niet in de lift?’ in een nogal sullige test. Aan het eind van de tentoonstelling kun je zien hoe je medebezoekers de vragen hebben beantwoord. Hoe bevooroordeeld zijn zij? En wie zijn zij? Die tweede vraag is net zo belangrijk als de eerste.

Rondom de tentoonstelling wordt een aantal evenementen georganiseerd. Een daarvan is gewijd aan hummus, de kikkererwtenpuree die in het hele Midden-Oosten wordt gegeten, ook wel bekend als oemoes, hoummous, humus en humous. Net als de baard is de puree in meerdere culturen thuis.

    • Bianca Stigter