Bengaalse fabrieken zijn nu wél veilig

Buitenland

Na de grote ramp met een textielfabriek in Bangladesh laten westerse kledingfirma’s scherpe controles uitvoeren. Dat heeft effect. Maar blijft dat zo als de regering de inspecties overneemt?

Foto Catrien Ariens/Hollandse Hoogte

Zonder een van de grootste industriële rampen uit de geschiedenis zouden de arbeiders in de kledingfabrieken van Bangladesh hun leven vermoedelijk nog altijd niet zeker zijn. Maar na de instorting van het acht verdiepingen tellende Rana Plazacomplex in 2013, waarbij ruim 1.100 mensen om het leven kwamen, is het aanmerkelijk veiliger geworden in een groot deel van de duizenden kledingfabrieken.

„Nu lopen de arbeiders meer risico wanneer ze na hun werk door het chaotische verkeer over straat naar huis gaan dan in de fabriek”, zegt Steve Needham, woordvoerder van het kantoor van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) in de Bengaalse hoofdstad Dhaka telefonisch. „Iedereen profiteert van die grotere veiligheid. Ook de werkgevers, en het kost hun tamelijk weinig.”

Kalpona Akter (40), een vakbondsactiviste die als meisje zelf in de fabrieken werkte, schatte vorige maand dat er voor de ramp met ‘Rana Plaza’ jaarlijks gemiddeld zo’n 200 arbeiders in de kledingfabrieken om het leven kwamen. Vooral branden – meer nog dan gammele gebouwen – kostten veel levens. Na 2013 is het aantal doden in de kledingindustrie volgens haar echter afgenomen tot minder dan tien per jaar. „Maar het blijft verdrietig dat mensen eerst moesten sterven voor er serieus werd gekeken naar de veiligheid”, aldus Akter.

Uit officiële cijfers blijkt dat de Bengaalse brandweerlieden in 2015 dertig keer moesten uitrukken om branden in kledingfabrieken te blussen. Niemand kwam daarbij om, niemand raakte zelfs gewond. Dat was een uitzonderlijk goed jaar. In 2016 vielen tot dusverre vijf gewonden, maar opnieuw geen doden. In 2012 vielen er bij 257 branden nog 116 doden en 70 gewonden. Werknemers zaten toen vaak als ratten in de val bij brand.

Ook de bouwvoorschriften voor nieuwe fabrieken zijn strenger geworden. Bij inspecties wordt niet alleen gelet op brandveiligheid, maar ook op de staat van het gebouw.

De Bengaalse kledingindustrie, de op een na grootste ter wereld, maakt volop deel uit van de wereldeconomie. Ze exporteert veel naar de VS, Europa en Azië, en is veruit de belangrijkste bedrijfstak van het land. Bekende westerse merken laten kleding vervaardigen in Bangladesh. Een kleine vier miljoen Bengalen werken in de bedrijfstak, vooral jonge vrouwen.

Juist doordat de industrie zo met de rest van de wereld is verweven, produceerde de instorting van het gammele Rana Plazacomplex ook buiten Bangladesh een schokgolf. De internationale gemeenschap besloot dat zo’n ramp niet opnieuw zou mogen gebeuren. In dit geval bleek dat een collectieve inspanning wel degelijk tot verbeteringen kan leiden.

Minimumloon: 63 euro per maand

Dat wil niet zeggen dat alles nu op orde is in de Bengaalse kledingindustrie. Het is nog altijd heet en stoffig in de fabrieken. Het drinkwater is van slechte kwaliteit en mannelijke superieuren gedragen zich vaak honds tegenover jonge vrouwelijke arbeiders. Ook met de vakbondsvrijheid is het nog pover gesteld, en staken mag alleen als er 21 dagen tevoren toestemming is gevraagd. De lonen blijven schrikbarend laag. Het minimumloon bedraagt omgerekend een schamele 63 euro per maand. Een ervaren kracht verdient iets meer, maar ook zo kan een gezin met één kostwinner eigenlijk niet rondkomen. Juist deze maand werden er 1.500 tot 3.000 arbeiders ontslagen die in staking waren gegaan voor hoger loon.

De veiligheid is echter een succesverhaal. Vooral Accord en Alliance, de twee organisaties die door westerse bedrijven werden opgezet om toe te zien op de naleving van de veiligheidsvoorschriften, speelden daarbij een hoofdrol. Ook de ILO heeft een ambitieus programma om de toestand in de kledingfabrieken te verbeteren. De organisatie krijgt daarbij financiële steun van Canada, Nederland en Groot-Brittannië.

De regering heeft bovendien de veiligheidsvoorschriften aangescherpt en er zijn meer inspecteurs aangesteld. „We hebben nu ook motorfietsen voor onze inspecteurs”, vertelt Syed Ahmad, inspecteur-generaal van het Departement voor de Inspectie. „Daardoor is de mobiliteit van onze inspecteurs verbeterd.”

Maar velen, onder wie vakbondsactiviste Kalpona Akter, schrijven het leeuwendeel van de verbetering toe aan de strenge inspecties van vooral Accord. Deze organisatie wordt door ruim tweehonderd westerse firma’s betaald, waaronder de Bijenkorf, Coolcat, H&M, Benetton en Primark.

„Er doen zich nog steeds branden in de kledingfabrieken voor”, zegt Rob Wayss, directeur van Accord in Dhaka, „maar het maakt veel verschil of er op tijd een brandalarm in het gebouw afgaat, sprinklerinstallaties werken en de brandgangen open zijn. Ik denk ook dat onze inspecties een belangrijke factor zijn geweest.” Bedrijven die niet aan de voorschriften voldoen, moeten met een verbeterplan komen, waarna nieuwe inspecties volgen.

Zo’n 70 procent van de exporterende kledingbedrijven is inmiddels gecontroleerd door Accord en het kleinere Alliance. De organisatie heeft, zoals de zaken er nu voorstaan, nog tot medio 2018 om ervoor te zorgen dat alles op orde is in de kledingfabrieken. Daarna wil de regering de inspecties overnemen, al denken Wayss en ook deskundigen als Kalpona Akter dat de regering – die als corrupt bekendstaat – daarvoor niet is toegerust.

Of dit succesverhaal omtrent de veiligheid in de kledingindustrie duurzaam is, zal dus nog moeten blijken.