Recensie

Streber Zola vs. brompot Cézanne

‘Cézanne et moi’ is het verhaal van de aanvankelijke boezemvrienden Émile Zola en Paul Cézanne. Een film als een relaxte zomervakantie.

Guillaume Gallienne (links) en Guillaume Canet als de vrienden Paul Cézanne en Émile Zola. Foto Luc Roux

Schrijven kan veel kapotmaken. Literator Émile Zola (1839-1906) en schilder Paul Cézanne (1840-1906) groeiden als boezemvrienden op in Aix-en-Provence. Zola was de zoon van Italiaanse sloebers, Cézanne van een bankier. Maar terwijl de ambitieuze, gedisciplineerde Zola in Parijs rijk en beroemd werd, vielen de schilderijen van emotionele vulkaan Cézanne nergens in smaak. Hij leefde van vaders toelage en Zola’s leningen, en moest zijn relatie met model Hortense voor de familie geheim houden.

De vrienden schreven elkaar in de loop der jaren honderden brieven. Zola vond Cézanne de betere schrijver, en zeker de betere poëet. Zijn eigen werk was de vrucht van kille berekening, terwijl Cézanne schreef met ongefilterde overtuiging. Maar in 1886 was de vriendschap in één klap voorbij, toen Zola een op Cézanne gebaseerd personage, de romantische schilder Charles Lantier, in L’Oeuvre zichzelf liet verhangen voor zijn laatste, onvoltooide doek. Lantier maakt zichzelf het leven onmogelijk door zijn obsessie met essentie en perfectie: een genie gedoemd tot falen.

Cézanne et moi vertelt deze mannenvriendschap op klassieke wijze: eerst de breuk, hoe dat zo kwam, hoe het verder ging. De emotionele spanningsboog is prima doordacht: obsessie versus relativering, eenzaam genie versus man van de wereld, eeuwige roem versus tijdelijk succes. Zola is de streber die zichzelf toch messcherp relativeert: hij wordt nu eerder geëerd dan gelezen. Veel minder onder het stof der geschiedenis verdwenen is brompot Cézanne. Hij faalde door compromisloze experimenteerdrift, tot hij op zijn oude dag tot visionaire stamvader van de moderne kunst werd uitgeroepen, van het expressionisme en kubisme.

In zo’n prestigefilm om het Franse erfgoed te eren mag je rekenen op spitse dialogen, smaakvolle citaten en discrete kamermuziek. Interieurs vol koper en gepolitoerd hout waar baardige mannen elkaar en de bips van de poetsdame met lorgnet de maat nemen. Liefdevolle close-ups van kroontjespennen, verf op een palet, kristalluchters en vergeelde boeken. Lome glazen wijn met tsjirpende cicaden onder pijnbomen. Een déjeuner sur l’herbe met veel linnen, kant, hoeden, hoepels en vrolijkheid: o la la, duiken de dames daar zomaar naakt in het meer? Kunstenaars…

Die sfeer: in Cézanne et moi regent het nooit. Een film als een zomervakantie: heel relaxed, en je snuift bovendien wat cultuurgeschiedenis van de 19de eeuw op. Maar zo bedacht en esthetisch dat hij je nooit echt raakt. In termen van de film zelf: meer Zola dan Cézanne.