Column

Oponthoud

Mijn autosleutels zijn weg. De allesverzengende paniek die ik voel zou ik op elk ander moment hysterisch noemen, maar nu niet, want nu sta ik in de file, op de linkerbaan, in Duitsland, in een auto waarvan ik net nog autosleutels had, maar nu niet meer.

De file begint op te lossen. Duitse automobilisten wijzen op hun voorhoofd omdat ik denk dat de baan uiterst links een parkeerplaats is. Meneer Sørensen, ik ben met hem getrouwd, zegt altijd dat ik alleen maar dénk dat ik dingen kwijt ben. Dat ik beter moet kijken op voor de hand liggende plekken. Ik geef nooit toe dat hij altijd gelijk heeft.

Ik probeer na te denken. Een paar minuten geleden ben ik uitgestapt om de man waar ik per ongeluk tegenaan reed mijn visitekaartje te geven. Toen ik weer wilde gaan rijden, zat de autosleutel niet in het contact, niet in mijn zak, niet in mijn tas en hij lag ook niet op de snelweg naast de auto.

Ik kan niet zo heel helder meer nadenken nu. Ik stap nog eens uit, doorzoek mijn kleren, mijn tas, onder de stoelen, nog eens in mijn tas, onder de auto. Steeds sneller zoek ik, steeds hetzelfde rondje. Ik denk even aan meneer Sørensen. Hij heeft niet altijd gelijk.

Er moet iets gebeuren, nu. Ik sta hier al twintig minuten. Ik bel 112. Na eindeloos doorverbonden te zijn – Sie sind wass? – krijg ik een rijksagent aan de lijn. „Wie aar komming toe save joe.” Dat zal nog wel even duren, vermoed ik, want achter mij is nu een file ontstaan die ik zelf heb veroorzaakt. Ik voel nog eens in mijn tas – en vind ik mijn autosleutels.

Ik denk ongeveer eentiende seconde na, steek de sleutel in het slot en wil wegrijden. De politie bel ik onderweg wel. De auto rijdt, waarschijnlijk door de klap, niet harder dan 20 kilometer per uur. Ik stop weer. Geef even over in de

berm.

De Duitse agenten zijn vriendelijk. Ze zeggen dat ze de A45 wel even stilleggen als ik naar de rechterbaan rijd, met 20 kilometer per uur. Dan wijzen ze naar de Raststätte, een stukje terug. Om daar te komen, tegen het verkeer in, leggen ze het verkeer nog een keer stil. Alle stilstaande Duitsers die ik zie hebben hun mond open. Bij de Raststätte vragen de agenten om mijn autopapieren. Ik ben ontstemd dat ze, nu ik

dit allemaal overleefd heb, met dit soort geneuzel komen, en snauw dat ik werkelijk geen idee heb waar die kunnen zijn. Ze lijken meneer Sørensen wel. De agenten wisselen een blik van verstandhouding, eentje begint te schrijven.

De aardigste, een vrouw, zegt dat het best wel gebruikelijk is om autopapieren bij je te hebben als je gaat rijden. Ik zeg: ja, dat zal best. De andere agent praat in een walkietalkie terwijl hij naar me kijkt. Dan gaat me een licht op. Meneer Sørensen. Die heeft geheid ergens papieren in de auto verstopt. Ik kijk, en inderdaad. Zij hun zin. De aardige agente zegt dat de sleepauto zo komt. Of ik een boete krijg? Alleen als ik dat graag wil. Zwaaiend rijden ze weg.

Precies tweeënhalf uur later dan gepland ben ik thuis. Ik zeg tegen meneer Sørensen dat het komt omdat ik in de file stond.

Frits Abrahams is deze week op vakantie