Het extreme is het nieuwe normaal maar de politiek staat (nog) pal

In zijn kersttoespraak had koning Willem-Alexander het over „het extreme dat het nieuwe normaal lijkt te worden”. Het is een oneliner die ongetwijfeld nog vaak zal terugkeren. Tegelijkertijd relativeerde hij zijn woorden. Want het fundament van het dagelijks leven „wordt drijfzand als beleving het zicht op de werkelijkheid verdringt”, zei de koning. Gelijk had hij. Er zit inderdaad vaak nogal wat discrepantie tussen gevoel en realiteit.

Dit is ook de paradox waar de nationale politiek in 2016 mee te maken had en het komend verkiezingsjaar mee te maken zal krijgen. Het tweede kabinet-Rutte leverde – afgemeten aan de eigen doelstellingen van vier jaar geleden – op Prinsjesdag een fraaie begroting af. Nederland is uit de economische crisis, luidt de conclusie. Binnen de Europese Unie is Nederland één van de snelst groeiende economieën. De werkloosheid loopt sneller terug dan op Derde Dinsdag voorzien en het tekort op de begroting zal naar verwachting volgend jaar omslaan in een overschot.

Maar gunstige economische macrocijfers op het rapport voldoen voor een politicus allang niet meer voor applaus en al helemaal niet voor een gegarandeerde herverkiezing. De klaagzang over ‘de’ politiek in al zijn verschillende toonaarden lijkt opnieuw toegenomen. Het feit dat zich het recordaantal van 81 partijen bij de kiesraad heeft gemeld om aan de verkiezingen van 15 maart mee te doen, is veelzeggend voor de atmosfeer.

De vergelijking met 2002 dringt zich op. Na de twee ‘paarse’ coalities onder leiding van Wim Kok, waarbij zoals toen werd geconstateerd „het geld tegen de plinten klotste”, heerste in de samenleving een breed gevoel van ontevredenheid. Het leidde tot de spectaculaire opkomst van Pim Fortuyn. Ook nu weer klinkt alom het voornemen om Den Haag drastisch op te schudden.

Vertrouwen is nu een sleutelwoord. Het vertrouwen in hen aan wie de kiezer bij verkiezingen macht delegeert is aan het afnemen – een verschijnsel waar tal van (westerse) democratieën mee te maken hebben. De vertrouwensvraag speelde dit jaar in Nederland bijvoorbeeld bij het afgedwongen Oekraïne-referendum. Het ‘Haagse’ verhaal sluit steeds moeilijker aan bij de eigen belevingswereld van de individuele burger. Ooit was er behoefte aan en respect voor politici die de weg wijzen en leiding geven. Tegenwoordig domineert de roep om politici die luisteren en gehoorzamen.

In toenemende mate blijkt er sprake van een botsing tussen verwachtingen van de al dan niet boze burger en het nemen van verantwoordelijkheid door de politicus die een integrale belangenafweging dient te maken. Met een zware electorale prijs als zwaard van Damocles.

Een meerderheid in de politiek toont die verantwoordelijkheid nog altijd. Zo’n houding vergt veel moed. Gelukkig was die dit jaar nog voldoende aanwezig.