Gewiekste insluipers, die buren

Wie: Kees K. (68)

Waar: politierechter Almere

Kwestie: laster over vergiftigen bomen

Het is niet meer zo gezellig in de Gijs Gansstraat in Almere. Althans, niet volgens bewoner Kees K. Hij zit vandaag als verdachte tegenover de politierechter in Almere. Een kalende man van 68, met een dun brilletje. Hij draagt een zwart corduroy jasje boven een spijkerbroek. Bij zich heeft hij een acht pagina’s tellende verklaring, die de rechter hem vandaag niet zal laten voorlezen. Hij moet haar vragen beantwoorden. „We kunnen het anders wel over heel veel dingen gaan hebben.”

Ook drie buren van Kees zijn naar de zitting gekomen. Twee mannen en een vrouw. Voorafgaand aan de zitting zaten ze in een aparte kamer zodat ze Kees niet al op de gang tegen zouden komen.

Een van Kees’ buren beschuldigt hem van smaad en laster. Verschillende buren hebben verklaard dat Kees kwaad over hem spreekt. Kees wees die buren, toen ze terugkwamen van vakantie, erop dat ‘hij van nummer 7’ hun bomen met gif had besproeid. „Zie je die bruine, gekrulde blaadjes?” Ze zagen het niet. „Zeven van de negen appelbomen hebben nooit meer appels gegeven”, zegt Kees daarover nu tegen de politierechter.

Kees is ervan overtuigd dat een deel van zijn buren het op hem gemunt heeft. En dat ze heel gewiekst opereren. „Ze maken nauwelijks sporen.” Voor wie het wíl zien, maakt Kees duidelijk, zijn de bewijzen dat vreemde mensen in zijn huis komen er wel degelijk. „De laatste tijd vind ik steeds as van de schoorsteen in het water van mijn vissen.”

Er zit voor hem niets anders op: hij gaat verhuizen. „Mijn huis staat vanaf volgende week te koop.” Op de achterste rij schudden de buren hun hoofd.

Het is vervreemdend. Kees formuleert coherent, geeft soms blijk van inzicht in wat er met hem aan de hand is – „ik ben gestresst, dan ga je dingen zien die er misschien niet zijn” – maar wisselt dat soepel af met zijn theorieën over het complot van de buren. „Kan het niet zo zijn”, vraagt hij bijvoorbeeld de rechter, „dat de strategie van mijn buren zó goed is, dat hun daden onbewijsbaar zijn?”

De rechter zegt: „Ik maak me zorgen over de onrust in uw hoofd.”

Er is een reclasseringsrapport over Kees gemaakt waarin staat dat hij een psychose heeft. De rechter denkt dat Kees inderdaad deels ontoerekeningsvatbaar is, maar niet helemaal. Hij is niet zó in de war dat ze vindt dat ze de zaak moet stilleggen.

De officier van justitie twijfelt zichtbaar over zijn eis. Smaad is, vindt hij, wel bewezen. Maar voor laster is nodig dat Kees wíst dat het niet waar was wat hij vertelde over de buurman van nummer 7. „Daar heb ik twijfels over. Ik denk dat Kees gelooft wat hij heeft verteld.” Hij eist 200 euro boete en vindt dat Kees de buurman een schadevergoeding van 150 euro moet betalen omdat hij diens goede naam en eer heeft geschaad.

Geen straf, maar hulp

Kees „staat perplex”. De zaak is „dermate omgedraaid” dat „iemand die nog nooit in zijn leven een stap in de verkeerde richting heeft gezet, straf krijgt”.

De rechter gaat het anders doen, zegt ze. „Er is bewijs dat u vervelende dingen over de buurman hebt gezegd. Maar er lijkt wat kortsluiting in uw hoofd. Dan dient straffen geen doel. U hebt hulp nodig. Daar hebt u iets aan en daar hebben uw buren iets aan.” Ze legt hem een voorwaardelijke boete op van 200 euro. Verder krijgt hij reclasseringstoezicht, wat inhoudt dat hij mee moet werken aan een behandeling.

Na het vonnis, en dat is ongebruikelijk, krijgt een buurvrouw het woord van de rechter. Ze richt zich tot Kees. „Ik hoop dat het weer helder wordt in je hoofd. Ik ben blij dat je hulp krijgt en dan spreek ik namens alle buren.”

Na afloop van de zitting benadert Kees de verslaggeefster. Wil die misschien mee naar zijn huis? „Dan kun je de planken zien die ze tegen mijn schutting aan hebben gezet, om eroverheen te komen. Het valt bijna niet op. Ze zijn zó goed.”