De tragedie van De Appel

Het nieuwe jaar luidt ook het einde in van Toneelgroep De Appel. Per 1 januari houdt het gezelschap op te bestaan.

Foto Leo van Velzen

Met intense verbetenheid, zo vertolkte acteur en regisseur David Geysen Shakespeares titelheld Hamlet bij Toneelgroep De Appel. Voor het gezelschap uit Scheveningen, dat sinds 1971 bestaat, is alles verloren: per 1 januari houdt het op te bestaan. Dat deze tragedie ondanks de pijn en de woede een prachtig evenwicht behield tussen poëzie en opstandigheid is te danken aan de ongebroken kwaliteit van het ensemble.

De Appel gaf Hamlet als geschenk aan het trouwe publiek. Vrijwel onmiddellijk na de première op 11 oktober waren alle voorstellingen uitverkocht. Op zondagmiddag 18 december speelde het gezelschap de laatste Hamlet, tevens de allerlaatste voorstelling. Het publiek bracht een grootse bloemenhulde aan spelers, ontwerpers, technici, muzikanten, vertaler, regisseur, betrokkenen. Het applaus duurde zeven minuten.

„Voor ons is dit de laatste voorstelling, maar de hele maand december stonden mensen huilend aan de bar”, aldus een van medewerkers. De foyer van het Appeltheater is beschilderd met afscheidswoorden, in rode letters: „Dank voor alle mooie voorstellingen.” Boeken uit de Appelbibliotheek, affiches en foto’s worden ter verkoop aangeboden.

Schedel van de wethouder

Cultuurwethouder Joris Wijsmuller (Haagse Stadspartij) besloot, op grond van een wel zeer negatief advies van de Commissie Weeda, definitief een eind aan het gezelschap te maken. Geysen geeft een briljante draai aan het verhaal: het gaat niet om de twijfelende prins die de moord op zijn vader wil wreken, maar om een kunstzinnige troonopvolger die geen kansen krijgt in een onverschillige, vijandige wereld. Hij is omgeven door corrupte personages die op onwaardige wijze eigenbelang nastreven.

Overal waar hij de waarheid wil vinden over zijn toekomst („Bestaan of niet bestaan, dat is de vraag”) vallen hoon en spot hem ten deel. Hij is een verstotene. In de befaamde doodgraversscène dollen de spelers met een schedel: „Die is van de wethouder.”

Als de Haagse politici en commissieleden deze Hamlet gezien zouden hebben, schrikken ze: hier toont een ensemble zich met groot theatraal vernuft en met durf. Ze hebben een misrekening gemaakt. Deze Hamlet is als een sleutelroman over de Haagse politiek en de Haagse kunstcommissies: wie vertolkt welke rol?

Tijdens speeches na afloop in de foyer zei politicus Jan Pronk dat het „advies malafide” is. Acteur Ivan Walhain maakt zich zorgen over de toekomst van het gebouw, net als regisseur Greidanus sr.: „Ik ben bang dat Den Haag dit prachtige theater kwijtraakt.”

Al is er zeker iets af te dingen op De Appel, nu het Nationale Theater (een fusie tussen het Nationale Toneel, Koninklijke Schouwburg en Theater aan het Spui) uitgroeit tot een gezaghebbend, solide gezelschap is het voor de artistieke veelstemmigheid in de stad juist nodig dat een groep met een geheel andere speelstijl behouden blijft. Die kans is nu verkeken. Deze Hamlet door De Appel zal de geschiedenis ingaan als een voorstelling die gaat over de grote, onvervangbare waarde van kunst in gevecht tegen de „onbekwamen”.