Recensie

De pionier is dataverzamelaar geworden

Mediakunst

Al 25 jaar matcht ‘dataïst’ Geert Mul beelden van tv en internet. Maar de frontman van weleer is hij niet meer.

Toen Geert Mul in de jaren tachtig van de vorige eeuw naar de kunstacademie in Arnhem ging, dacht hij dat hij schilder zou worden. Maar juist in de kolkende jaren tachtig van het vallen van de Muur en vergruizende wereldrijken, veranderde er in de kunst nogal wat. Internet kwam op, computers raakten in zwang, van softwareprogramma’s als Photoshop werd creatieve almacht verwacht. Schilderkunst raakte out of date: veel te traag, te ouderwets, te veel omgeven met kunsthistorische betekenissen. Daar moesten kunstenaars allemaal vrij van worden. Toen Geert Mul (1965) kunstenaar wilde worden, had hij de dadaïsten als ideaalkunstenaars voor ogen. Maar in plaats daarvan werd hij ‘dataïst’: een verzamelaar, sampler en matchmaker van beelden van tv en vooral internet.

Al 25 jaar is Mul actief als matchmaker – en ik schat dat hij nog decennia kan doorgaan; de beeldenstroom die ons vanaf internet overspoelt is oneindig. Mul zet zijn computer(s) aan, downloadt software en laat die software paren maken uit de miljoenen beelden die dagelijks het internet verrijken. Die beeldparen gaan een voor het menselijk oog willekeurig verband aan. Ze staan naast elkaar omdat ze een bepaalde dichtheid in pixels hebben, omdat schaduwen overeenkomen, lijnen een gelijkenis tonen. Zo kan een flatgebouw gematcht worden met een rotspartij, een Chinees karakter met een dorre tak, een lachrimpel met een string.

Uiteindelijk kiest Mul zelf uit de door de computer gegenereerde paren de paren die hem het best bevallen. Als ‘dataïst’ is Mul in zijn werk volop aanwezig: hij is bezig met de stekkers, kiest de software, projectieschermen of monitoren, lichtsensoren die projecties in werking stellen, hij kiest de uiteindelijke beeldparen die de computer ’s nachts downloadt, enzovoorts.

Dat blijkt op de overstelpende overzichtstentoonstelling van Muls werk die nu in het Stedelijk Museum in Schiedam is te zien. De tentoonstelling omvat drie verdiepingen die zijn gevuld met sporadisch kleine, maar vooral heel veel reusachtige, flikkerende en luidruchtige installaties waarin techniek de hoofdrol speelt. Het Stedelijk Museum poneert Mul als ‘frontman in de mediakunst’ – en dat is hij, als je kijkt naar zijn vroegste werk.

Groen is nu, rood is toen

Een van de beste werken op deze expositie is de installatie Toen en nu (1990), waar Mul op een ouderwetse Commodore Amiga de woorden ‘toen’ en ‘nu’ in een willekeurige frequentie laat oplichten in rood en groen. Het mooie van dit werk is de licht filosofische toon: groen is nu, dus voorwaarts, rood is toen, dus kijk niet te veel terug. Bovendien leveren de oplichtende woorden een mooie beeldrijm op het scherm van de Commodore op.

Voor de meeste overige werken kan dat helaas niet gezegd worden. En dat leidt meteen tot de vraag: waarom heeft het Stedelijk Museum niet beter geselecteerd? Waarom deze overweldigende hoeveelheid? De installaties Match of the Day (2004), The Library of Babel (2003) en Big Data Poetry (2009) laten op vloerpanelen en schermen zien dat een computer in staat is ongerijmde grootheden met elkaar te laten rijmen. Andere installaties buigen zich over de (retorische) vraag of digitale beelden authentiek zijn. Muls gedachte dat de mens niet in staat is om onbevooroordeeld matches te maken, is aardig maar ook dun en levert niet per se visueel interessant werk op.

Als er iets is wat deze overzichtstentoonstelling duidelijk maakt, dan is het dat de pionier die Mul ooit was een vakbekwame dataverzamelaar is geworden. Graag refereert Mul in verband met zijn werk aan de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges en diens vertelling The Library of Babel. Maar waar Borges met dit verhaal blijk geeft van een visionair meesterschap, slaagt Mul er niet in meer te zijn dan die drukke bibliothecaris die zich steeds meer door de techniek laat leiden en onderweg vergeten is dat het uiteindelijke doel de kunst is.